Weg van het intellect

Dirigent Vladimir Jurowski wordt in september de nieuwe chef van het London Philharmonic Orchestra. Daarmee is hij de jongste internationale topdirigent. Deze week leidt hij het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Vladimir Jurowski foto Vincent Mentzel Dirigent Vladimir Jurowski tijdens een repetitie van Mahler,Das Klagende Lied bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, de Doelen ,9 januari 2007 Mentzel, Vincent

De operette Die Fledermaus, een registratie van het Glyndebourne Opera Festival 2003. De ouverture stookt op tot champagnestemming, de camera zoemt in op de dirigent. Priemende krijgersogen, mefistofelisch getrimd ringbaardje, zwart wapperhaar. Vladimir Jurowski (34) is uiterlijk de clichématig duivelse dirigentenverschijning, maar uit zijn muzikale benadering klinkt een compromisloosheid en een sensitiviteit die het tegendeel daarvan is. „Duivels?” Jurowski lacht. „Wat een negentiende-eeuws idee. Weet je hoe Alma Mahler haar echtgenoot noemde? Lucifer – de demonische lichtbrenger.”

Als je dirigenten zou moeten opdelen in klassen, hoort Jurowski bij de internationale supertop. Hij is vaste gastdirigent van het Russisch Nationaal Orkest, maar werd bovendien nog voor zijn 30ste chef-dirigent van het gerenommeerde operafestival in Glyndebourne – een post die Bernard Haitink tussen zijn 47ste en 58ste vervulde. Met ingang van komend seizoen wordt Jurowski bovendien chef-dirigent van het London Philharmonic Orchestra, als opvolger van Kurt Masur.

Jurowski (Moskou, 1972) komt uit een dirigentengezin. Zijn vader, Michaïl (1945), is verbonden aan de Komische Oper en de Deutsche Oper in Berlijn, zijn opa – ook Vladimir (1915-1972) geheten – was componist. „Een Kleinmeister”, zegt Jurowski. „Dat bedoel ik niet denigrerend. Als zijn kleinzoon breek ik voor zijn muziek graag een lans, maar ik moet die wel in de juiste context plaatsen. Het is neoromantische muziek, onder invloed van het ijzeren gordijn te ouderwets voor zijn tijd.”

Eerder dit seizoen debuteerde

Jurowski met groot succes voor het Koninklijk Concertgebouworkest, waar hij in oktober terugkeert. In 2003 en 2004 stond hij voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest, waar hij deze week opnieuw te gast is. „Twee steden, verschillend als twee landen”, vat hij samen. „In Amsterdam voel ik nog sterk de Duitse traditie, gevormd door Mahler en Mengelberg en ontwikkeld door Van Beinum en Haitink. Het Concertgebouw is zoiets als een Stradivariusviool. De akoestiek is uniek, maar eist dat je op een bepaalde manier speelt. De Doelen is goed, maar mist de weelderigheid van het Concertgebouw en eist een andere speelwijze. Die zalen hebben hun weerslag op de orkesten, zoals de chef-dirigenten dat ook hebben gehad. Het Concertgebouworkest is één van de zeldzame toporkesten met wortels in één zaal, waar ze het allerbeste spelen. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest ervaar ik, mede dankzij Gergjev, als flexibeler, opener voor verandering.”

Jurowski strekt zich uit op de Eames-stoel in zijn dirigentenkamer en bijt een hoek uit een familietablet extra bittere Zwitserse chocola. „Zeker als ik dirigeer, ben ik kieskeurig in wat ik eet”, wijst hij, terwijl de bode die hem een broodje wil brengen vriendelijk wordt weggestuurd. „Ik heb ontdekt dat sommig voedsel meer energie kost dan oplevert. Rood vlees. Granen. Daar let ik op.”

Waarschijnlijk is Jurowski de komende jaren niet meer zo vaak in Rotterdam te horen; daarvoor zal zijn chef-dirigentschap in Londen te veeleisend zijn. „Het beperkt mijn mogelijkheden voor gastdirecties drastisch”, erkent hij. „Vooral omdat ik in Londen een ouderwetse chef wil zijn; eentje die er veel is.”

Waarom kiest u daarvoor?

„Londen is een rare muziekstad. Behalve de omroep- en de operaorkesten betalen alle symfonieorkesten, ook het London Philharmonic, hun musici daar per dienst. Het gevolg is dat je als dirigent per concert maximaal vier repetities in twee dagen krijgt. Londense musici zijn beroemd om hun vaardigheid in van blad lezen. Wat je hoort op de eerste repetitie, is vaak vrijwel gelijk aan het uiteindelijke concert. Tenzij je echt een relatie opbouwt en de musici je volledig vertrouwen. Daarom wil ik er veel zijn. Maar ik blijf met mijn gezin in Berlijn wonen. Mijn dochter is elf. Ik wil dat ze opgroeit in de nabijheid van haar beide oma’s.”

Vanavond, morgen en zondag leidt Jurowski het Rotterdams Philharmonisch Orkest in Mahlers gruwelsprookjescantate Das klagende Lied – over een broedermoord, waarbij uit de knekels van de vermoorde knaap een fluit wordt gesneden die later, op de trouwerij van de moordenaar, met de ijle stem van het dode kind tot klagen maant. „Gruwelijk”, zegt Jurowski. „Mahler noemde dit werk: ‘Mein Schmerzenskind’. Nog luguberder vind ik dat zijn broer Otto later zelfmoord pleegde. Alsof de muziek naar de werkelijkheid vooruitwijst. Bij de Kindertotenlieder is dat ook zo; die componeerde Mahler voordat zijn dochtertje op 5-jarige leeftijd overleed.”

De emotionaliteit van Mahlers muziek lijkt slecht te passen bij Jurowski’s bedachtzame voorkomen. Een blik in zijn cv bewijst dat. Hij voerde tot nu toe geen van Mahlers symfonieën uit. „Niet dat ik niets met Mahler heb”, nuanceert hij met waakzame blik. „Zijn emotionaliteit en pessimistische wereldbeeld liggen me al te na. Maar juist daarom wilde ik me niet te vroeg aan uitvoeringen op het podium blootstellen. Als een dirigent zichzelf toestaat puur op emoties te varen, kan dat hem kapot maken. Je moet iets van pijn hebben doorgemaakt om de emoties die eruit voortkomen bij jezelf te kunnen overmeesteren, en ze zo via de musici bij de luisteraar te kunnen oproepen. Er moet afstand zijn. Anders wordt het muzikale masturbatie.”

U bent 34. Is dat oud genoeg?

„Haha! Biologische leeftijd is niet hetzelfde als spirituele leeftijd. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik me 70 voel, maar wel rijp genoeg om de stukken te kunnen dirigeren die Mahler had gecomponeerd toen hij zo oud was als ik nu. Ik wil Mahler zoveel mogelijk chronologisch aanpakken. Dirigenten die uit het niets met de Vijfde Symfonie beginnen, geloof ik niet.”

Hoe kijkt u dan aan tegen andere hyperemotionele muziek? Sjostakovitsj, Tsjaikovski?

„Die componeerden ook stukken waar ik me nog niet aan waag. Net als Bruckner en Brahms. Technisch is het een ander verhaal, je partituren moet je gewoon kennen. Als je die op je 35ste nog niet beheerst, leer je het nooit. Maar wanneer je dirigeren ook als een spiritueel vak ziet, zijn noten slechts het begin.”

Uiterlijk is hij een dirigent van elegante, gedoseerde gebaren en een hyperactieve mimiek. Soms laat hij zijn armen hangen en stuurt alleen met een hoofdknik of een oogflits. Het klinkend resultaat, dat op de beschikbare opnamen van zijn visies op Sjostakovitsj, Prokofjev, Rachmaninov en Strauss zeldzaam opwindend is, staat los van de dichtheid aan bewegingen. „Er zijn dingen die je kunt dirigeren, en dingen die je níet kunt dirigeren”, beaamt hij. „Richard Strauss zei: een dirigent kan slechts tijd uitbeelden, de rest is ziel. Daar zit iets in. Er is veel onuitlegbaar in de relatie tussen dirigent en orkest. Als je Boulez zijn eigen muziek ziet dirigeren, oogt zijn aanpak minimalistisch. Maar je voelt veel meer.”

Bij dirigenten uit de school van Ilja Moesin, zoals Gergjev, lijkt het soms alsof ze de muziek uitbeelden.

„De Moesin-school is een systeem. Elk systeem is nuttig voor beginners. Daarna gaat het om de onnoembare ingrediënten. Tijdens repetities werk ik vaak heel technisch. Musici staan dan ook niet open voor meer. Maar tijdens de concerten is de chemie totaal anders.”

In een interview

met de Britse krant The Sunday Telegraph uit 2001 refereerde Jurowski aan die chemie als een gif: ‘Je vergiftigt de spelers met enthousiasme. Het moet sterk en snel werken – sneller dan ze zich kunnen realiseren.’ Hij lacht. „Je moet als dirigent een beetje ongrijpbaar en onnavolgbaar blijven. Altijd.”

Dat is bij Jurowski als vanzelf zo. Het dirigeren leerde hij vanaf zijn kleutertijd, letterlijk en figuurlijk aan de hand van zijn vader. In Moskou bezocht hij tussen zijn vijfde en zijn achttiende een conservatoriumvooropleiding in de vakken piano en theorie. In 1990 verhuisde het gezin naar Berlijn. Jurowski werd assistent van zijn vader aan de Komische Oper en meteen daarop tweede kapelmeester. „Ik voel me een mix van allerlei invloeden”, zegt hij. „Ik ben een Russische jood, maar de band met Duitsland is ook zeer sterk.”

Jurowski heeft zijn invloedsfeer zelf verder verbreed. „Mijn intellectuele en emotionele kant waren van nature sterker dan mijn spirituele en fysieke eigenschappen. Daar was ik niet tevreden over; ik streef naar balans. Ik doe nu dagelijks aan yoga en heb mijn referentiekader verbreed met oosterse invloeden. De leerstellingen van Osho, het soefisme, De Vierde Weg. Ik zal niet in details treden, maar het leidt allemaal weg van het intellect, en naar een direct besef van het goddelijke.”

Hoe beïnvloedt dat u als dirigent?

„Een dirigent moet begrip kweken bij de musici over de plaats en de functie van elke noot binnen het geheel. Orde scheppen vanuit chaos. Soms is het daartoe genoeg om geconcentreerd aan één aspect te denken. Als musici spelen, trekt hun intellect zich terug ten gunste van het instinct. Daar moet je als dirigent rekening mee houden. Door zelf intuïtief te zijn, maar ook door scherp te controleren wat er gaande is. Je bent observator én mediator. Primus inter pares én regisseur. Weinig dirigenten zijn allebei. Ze zijn óf inspirerend, of georganiseerd. Ik wil beide zijn. Meditatie helpt me daarbij.”

Een onalledaagse zienswijze.

„Rolf Reuter, muziekdirecteur van de Komische Oper in Berlijn toen ik daar mijn leerjaren begon, was onorthodox in de receptuur die hij koos voor zijn leerlingen. Maar de invloed van mijn vader is ook groot geweest. En dat ik van jongs af aan opera heb gedirigeerd, heeft me eveneens gevormd. In opera spelen zoveel belangen door elkaar dat je leert praktisch te zijn. In een goede opera werkt alles – toneelbeeld, orkest, zang, acteren – samen. Dat lukt bijna nooit. Maar het leert je wel de schapen langs het ravijn te leiden. En het heeft me ervan doordrongen dat muziek, ook instrumentale, altijd dramatisch moet zijn. Een mooie toon is niet genoeg.”

Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Vladimir Jurowski, 12, 13 en 14/1 De Doelen, Rotterdam. Res.: (010) 2171717. Inl.: www.rpho.nl

    • Mischa Spel