Wat je niet zegt

Alec van Doorn uit Gouda trekt een mal gezicht, voelt hij zich ook zo?

Waarschijnlijk zeg jij – net als iedereen – vaak iets anders dan je denkt. Je vraagt bijvoorbeeld: „Mamma gaan we al eten?”, maar je bedoelt: mag ik chips? Of je zegt: „Hoe lang gaan we dan bij tante Annie logeren?” Terwijl je denkt: gingen we maar op wintersport, zoals alle andere kinderen uit de klas. Ook als je acteert zeg je vaak het één en denk je ondertussen iets heel anders.

Een voorbeeld. Een scène in de klas. De meester vraagt of Bert volgende week een spreekbeurt wil houden over vissen, omdat-ie voor z’n verjaardag een aquarium heeft gekregen. Bert knikt. Eigenlijk wil hij helemaal geen vissen-spreekbeurt houden, want z’n zusje heeft gisteren een fles shampoo in het aquarium gegooid en nu zijn alle vissen dood.

Bert begint te huilen. „Wat is er?” vraagt de meester. „Ik heb pijn in mijn buik”, zegt Bert. Maar hij bedoelt: ik ben verdrietig en wil naar huis.”

Onder de tekst die je zegt, ligt een andere tekst verborgen, die je niét zegt. Precies die tekst moet je spelen.

Nog een voorbeeld. Je bent aan het voetballen met een vriendinnetje en zegt: „Ik ben moe”. Je bedoelt: ik wil niet meer met je spelen, je doet altijd bazig en volgens mij heb je net een wind gelaten.

Het klinkt ingewikkeld, maar let maar op, het gebeurt de hele dag om je heen. Bijna niemand zegt wat-ie denkt.

Je zult ook merken dat de zinnen, waarvoor je echt geen andere, onderliggende tekst kunt bedenken het allermoeilijkst zijn om te ‘acteren’. Als iemand je bijvoorbeeld de weg vraagt naar het station en jij antwoord: „Bij de stoplichten rechts”, dan zeg je precies wat je denkt en valt er eigenlijk niks te acteren. Probeer het maar ’ns. Juist dat soort zinnetjes komen vaak heel erg vreemd en onecht uit je mond. Volgende week: te warm, te koud en ander filmsterrenleed.

Voor vragen en/of adressen van castingbureaus: mail naar kinderpagina@nrc.nl