Via krochten naar verlichting

Haruki Murakami: Kafka op het strand. Vertaald door Jacques Westerhoven. Atlas, 639 blz. € 22,95

Op ongeveer een kwart van de internationale bestseller Kafka op het strand laat de Japanse schrijver Haruki Murakami de 15-jarige Kafka Tamura een literair gesprek voeren met de androgyne bibliothecaris Oshima die hij kort daarvoor heeft ontmoet. Kafka, de hoofdpersoon van het boek, is verdiept in de werken van de vroeg-20ste-eeuwse romancier Soseki Natsume. Vooral De mijnwerker boeit hem. De hoofdpersoon erin, zoon van een rijke familie, loopt van huis weg en komt in een kopermijn terecht. Daar heeft hij een aangrijpende ervaring, maar of die uiteindelijk zijn leven heeft veranderd blijft onduidelijk. ‘Het was een raar gevoel toen ik het boek uit had,’ zegt Kafka. ‘Wat had Soseki hier in godsnaam mee bedoeld?’

In een paar alinea’s spiegelt Murakami daarmee de ervaring die ook het lezen van zijn eigen boek teweeg brengt. De parallellen springen direct in het oog. Ook Kafka is van goede afkomst, van huis weggelopen en maakt een ingrijpend avontuur door. En mét hem moet ook de lezer de krochten van het bestaan in. Hij ziet zich geconfronteerd met de demonen van het half- en misschien wel onbewuste, het verdrongene en getaboeïseerde. Maar ook die ervaring blijft onbestemd. Op de vraag wat Kafka op het strand nu eigenlijk wil zeggen, komt geen antwoord.

De lezer had daarop bedacht kunnen zijn. Al aan het slot van het eerste, korte hoofdstuk waarschuwt Marukami hem: ‘Het klinkt misschien als een sprookje. Maar een sprookje is het niet. Wat de betekenis ervan verder ook mag zijn.’ Murakami speelt voortdurend open kaart, zelfs wanneer hij zijn eigen roman in die van Natsume laat spiegelen. Moeilijk maakt Murakami het de lezer dus niet. Hij vertelt vlot, in de bedrieglijk vlakke stijl van het avonturenverhaal en hij weet dat spanning de lezer bij de les houdt. Maar net zoals in de rest van Murakami’s omvangrijke oeuvre blijft het niet bij het wegloop-realisme van de hoofdpersoon. Onverklaarbare wendingen, bovennatuurlijke verschijnselen, irreële toevalligheden en onwaarschijnlijke personages roepen bij de nuchtere lezer al snel de vraag op waarom hij in godsnaam maar blijft dóórlezen.

Tirannieke vader

Twee afzonderlijke verhalen wisselen elkaar in Kafka op het strand af, om pas op het laatste moment met elkaar verstrengeld te raken. Hoofdlijn is het wel en wee van de jonge Kafka: doelloos weggevlucht om te ontsnappen aan een tirannieke vader. Die reis leidt hem vrijwel rechtstreeks naar de bibliotheek waar hij in de directrice de moeder meent terug te vinden die hij nooit gekend heeft. Als in de busreis daar naartoe ook zijn verdwenen zusje nog eens naast hem heeft plaatsgenomen, begint de kritische lezer te fronsen. Voorlopig kan hij zich er nog uit redden door te denken dat Kafka zich dat zich maar verbeeldt.

Die uitweg biedt Murakami niet in de tweede verhaallijn. De simpele bejaarde Nakata vult zijn ouderdomsuitkering aan met het opsporen van weggelopen katten. Zijn uitzonderlijke vermogen met katten te kunnen praten legt hem geen windeieren. Ook zijn geluk gaat aan de haal wanneer een sinistere kattenslachter zijn pad kruist. Als twee druppels water lijkend op Johnnie Walker (van de whisky) snijdt die op sadistische wijze een paar van Nakata’s besnorhaarde vriendjes in stukken – totdat de laatste hem met een bajonetstoot akelig doodt. Vrijwel op hetzelfde moment moet Kafka’s vader op even bloedige wijze om het leven zijn gebracht.

Beide hoofdpersonen vluchten nu voor de politie en dat brengt ook Nakata in het provinciestadje waar Kafka zijn heil heeft gezocht. Is de eerste inmiddels op zoek naar een mysterieuze ‘sluitsteen’ die hij moet openen, de tweede blijkt in werkelijkheid op de vlucht voor een vervloeking die zijn vader over hem uitsprak. Hem zou hij vermoorden en niet alleen zijn moeder maar ook nog eens zijn zus zou hij beslapen. Plots staat in de persoon van Kafka nu Oedipus triomferend op het strand. Want uiteraard ontloopt hij zijn bestemming niet. ‘De mens kiest zijn lot niet, het lot kiest de mens – dat is de fundamentele wereldbeschouwing van de Griekse tragedie’, zegt Oshima hem.

Wat de muziek is in een groot deel van Murakami’s werk, is de literatuur in Kafka op het strand. Voortdurend geven literaire referenties het verhaal structuur en richting, om te beginnen bij de titel en de naam van de protagonist. Waarom Kafka? Omdat dat in het Tsjechisch ‘kraai’ betekent (eigenlijk ‘kauw’) en de hoofdpersoon zich net zo eenzaam voelt als die vogel heeft hij die naam gekozen. Kafka’s verhaal In de strafkolonie oefent bovendien een grote fascinatie op hem uit. Met zijn zuiver mechanische uitleg van het executieapparaat daarin weet de schrijver ‘onze omstandigheden beeldender uit te leggen dan enig andere schrijver dat zou kunnen,’ zo legt hij Oshima uit. Het ‘is geen gelijkenis of allegorie. Het bestaat echt – hier om mij heen.’

Bijna verzoent die uitleg de kritische lezer in mij alweer met Murakami’s onwaarschijnlijk toevallige universum – tot het noodlot opnieuw het geduld op de proef stelt. Ooit was de bibliotheekdirectrice in wie Kafka zijn moeder herontdekte als zangeres beroemd met de mega-hit ‘Kafka aan het strand’. Haar zoon weet er via Oshima een oud singeltje van op te sporen. En in het bibliotheekkamertje waar hij intussen een voorlopig onderdak gevonden heeft, hangt een schilderijtje aan de muur met een portret van haar jonggestorven jeugdliefde, bedrieglijk lijkend op het profiel van de Duits-Tsjechische schrijver.

Gortig

Daarmee wordt het de criticus toch echt te gortig. Betekenis of niet, allegorie of niet: er zijn grenzen aan de onwaarschijnlijkheid waarmee zijn opgeschorte ongeloof getart mag worden. Maar tegelijk trekt de particuliere lezer in mij zich daar niets van aan. Geholpen wordt hij daarbij door de humor die Murakami verstrooit over een boek dat van de weeromstuit bijna loodzwaar zou lijken. Een vervaarlijk stel feministen wordt door Oshima subtiel op zijn nummer gezet en een Sancho Panza-achtige politieagent weigert Nakata’s moordbekentenis op te nemen. Bezuren moet hij dat wanneer niet alleen het lijk van Kafka’s vader gevonden wordt maar het ook nog eens onverwacht vissen en bloedzuigers begint te regenen, zoals de oude man terloops voorspeld had.

En er is de vrachtwagenchauffeur Hoshino die Nakata op zijn reis vergezelt en moeiteloos de knechtenrol in een komedie van Goldoni had kunnen spelen. Ook hij maakt kennis met de sinistere Johnnie Walker, die inmiddels de gedaante van Colonel Sanders (van de Kentucky Fried Chichen) heeft aangenomen. Dankzij hem vindt hij niet alleen de weg naar de sluitsteen, maar ook naar een callgirl die als filosofiestudente tijdens haar handwerk achteloos Henri Bergson en Hegel citeert.

Ook Hoshino maakt op zijn manier een verlichting door. Aards op het grove af, raakt hij diep onder de indruk van Beethovens terloops gehoorde Aartshertogtrio, direct nadat hij op Nakata’s aanwijzingen de sluitsteen heeft open gewrikt. Voor Kafka is daarmee de weg vrij gemaakt voor een andere afdaling: diep het woud in dat zich uitstrekt rond de berghut waarin Oshima hem tijdelijk aan politieblikken heeft onttrokken.

Het is allemaal te veel en tegelijk te weinig. Te zichtbare parallellen en te onoplosbare raadsels maken Kafka op het strand een ware beproeving voor de lezer die van de literatuur zowel plausibiliteit als wat subtiliteit verlangt. Maar na het allemaal gelezen te hebben, krijg ik er nog altijd niet genoeg van. De tweede keer bleek Kafka op het strand nog intrigerender dan de eerste. En als in het voorjaar Norwegian wood in het Nederlands verschijnt, de roman waarmee Murakami internationaal doorbrak, zal ik ook die onmiddellijk gaan lezen. Bij voorbaat weet ik al dat ik opnieuw perplex zal staan, en me vergeefs zal afvragen wat het allemaal mag betekenen.