Trouw aan de eerste blik

Bernlef kan in zijn romans knap somber zijn. In zijn net verschenen ‘Op slot’, waarin de beeldende kunst nadrukkelijk aanwezig is, snijdt hij tijdloze thema’s aan zonder de hoop op te geven.

Bernlef: Op slot. Querido, 191 blz. € 16,95.

Af en toe schiet mij een regel te binnen uit een oud gedicht van Bernlef, uit de tijd dat hij zich nog J. Bernlef noemde. Eigenlijk is het maar een halve regel, een vergelijking waarvan mij de eerste helft niet is bijgebleven. De vergelijking heeft te maken met jeugd en ouderdom: ‘zoals een oud gezicht vaak al door het jonge heen te zien is (en daarom mooi).’ Deze regel bleek, dat wist ik niet meer, onderdeel te zijn van een prozagedicht over Alberto Giacometti. Wat mij er jaren geleden al in moet hebben aangesproken is de enorme relativering van de tijd: heden en toekomst volgen niet op elkaar, maar zijn soms al tegelijk aanwezig. Het een kan niet zonder het ander, dat lijkt mij de crux van deze regel: geen jeugd zonder besef van ouderdom, geen leven zonder besef van dood. En wat er nog bij komt: het verstrijken van de tijd leidt niet tot paniek of treurnis. En de ouderdom is nog mooi ook.

Zo’n opgewekte, relativerende levenshouding spreekt niet altijd uit het werk van Bernlef. Zijn romanfiguren zitten vaak iets ingewikkelder in elkaar. Neem bijvoorbeeld William, uit de roman Boy (2000). Hij zou het liefst willen dat zijn geliefde Amy nooit meer veranderde, ook al is ze zwanger. ‘Hij zou Amy iedere keer opnieuw willen zien zoals hij haar voor de eerste keer zag.’ Bij de verliefde William is er, neem ik aan, enige romantische dweepzucht in het spel.

Net weer iets anders ligt het bij de Egmondse kunstschilder die Bernlef opvoert in zijn nieuwe roman, Op slot. IJsbrand Blok schildert zijn vrouw Nadia steeds opnieuw zoals zij was bij hun eerste ontmoeting. ‘IJsbrand bleef trouw aan zijn eerste blik’, heet het. Dat betekent in de praktijk vooral dat hij weinig oog heeft voor zijn vrouw als niet-schilderkunstig object. Op den duur hoeft hij haar zelfs niet meer te zien om haar toch te kunnen schilderen. Anders dan in het geval van Dorian Gray blijft dus het portret steeds jong en veroudert het model, al zal Nadia zich op den duur wreken op de kunstenaar.

Op slot is een ietwat knoestige roman die het net iets meer moet hebben van zijn ideeëngoed dan van zijn vloeiende vertelling of van zijn sprankelende stijl. Hoe moet je dit boek omschrijven? Als een verhaal over onvolkomen menselijke relaties, gezien vanaf een duintop? Als een kunstenaarsroman met subtiele thrillerelementen? Het boek valt hoe dan ook in diverse, soms spannende flarden uiteen: hier een strandwandeling, daar een blik in een kamer die dertig jaar op slot is geweest, hier een bezoek aan een psychiatrische inrichting, daar een begrafenistafereel. Nu eens een jeugdherinnering of een ironische opmerking over galeriekunst, dan weer een schrille dagboekaantekening of een bespiegeling over de geheimzinnigheid van zwart-witfoto’s.

Er is veel wit en hoekigheid in dit verhaal over een gedoemde liefde die er maar niet als liefde uit wil zien. De man te zwijgzaam, de vrouw te flets om samen een overtuigend paar te kunnen vormen, al is het maar een ongelukkig paar. Het is raadselachtig waarom IJsbrand zijn vrouw zo obsessief blijft uitbeelden, terwijl hij allang niet meer met haar praat. Raadselachtig is ook waarom zij nooit meer heeft gewild dan zijn model te zijn, wat bovendien ten koste ging van hun enige dochter. Onverklaard blijft ook haar aftocht naar een psychiatrische inrichting, waar zij braaf haar tijd uit zou zitten. Was zij eigenlijk wel gek?

IJsbrand schildert Nadia dan wel steeds, maar voor een lezer komt ze niet goed uit de verf. En ook al gunt Bernlef haar tegen het eind nog een verrassende scène, die haar even optilt uit een grauwe waas, enkele dagen voordat ze zal sterven – dat maakt dan toch niet meer uit. Zij zal ons hooguit bijblijven als een bleke, smetvrezende schim, die ooit kennelijk door haar uiterlijk een schilder wist te inspireren. De monden zitten hier, in termen van de roman zelf, soms net iets te veel op slot.

Maar Bernlef zou Bernlef niet zijn als de roman niet ook ontwapenende kanten had. IJsbrand is, zijn naam zegt het al, een man van tegenstellingen. Hij is afstandelijk en gesloten, maar hij heeft ook een warme, vurige kant, die hij vooral laat zien als hij aan het schilderen is en in zijn omgang met zijn boezemvriend Dick. Aardig is verder dat hij zich, duidelijk in het voetspoor van zijn schepper, afzet tegen videokunst en installaties en tegen ‘vaag gelul’ over kunst. Schilderijen zijn in zijn ogen ‘gewoon’ schilderijen, gemaakt van verf. ‘Niks geen hocus pocus’. Wel streeft hij ernaar om in zijn schilderijen iets onder te brengen ‘dat meer is dan de som van al die kleurtoetsen’, iets dat anders ‘ongezien’ zou zijn gebleven, waarmee toch nog een zweempje van het hogere de kunst wordt binnengesmokkeld.

Het meest sympathiek is de fotograaf Dick: een no nonsense type zonder kunstenaarspretenties. Hij is naar eigen zeggen ooit toevallig in het vak ‘gerold’ en heeft er tot zijn pensionering goed van kunnen leven. Op zijn tachtigste heeft hij nog een digitale camera aangeschaft, op aanraden van een jongere collega, maar hij vindt het maar niks. Hij heeft begrepen dat je met een computerprogramma foto´s kunt bewerken. ‘Wat simpele drukken op een paar toetsen en er liep een olifant in plaats van die langharige teckel op het strand daar beneden. Het had iets spookachtigs.’

Dick is zich ervan bewust niet meer helemaal van deze tijd te zijn. Hij voelt zich een ouwe sok als hij met zijn stramme benen een trap op klautert of met zijn stramme vingers zijn veters probeert te strikken. Hij heeft de moed nog niet verloren, al wordt het er niet gemakkelijker op sinds IJsbrand is overleden. ‘Misschien moet ik een hond nemen’, denkt hij op zeker moment, met enige zelfspot, als hij over het duin uitkijkt. ‘Dan kan ik net als die mensen daar op het strand doen alsof ik een doel in mijn leven heb.’

Bernlef geeft hem nog even een tijdelijk doel. Hij maakt een overzichtstentoonstelling van het werk van IJsbrand, samen met diens dochter. Als de opening voorbij is, is hij voor het eerst weer op zichzelf aangewezen. De roman eindigt onbestemd: niet hoopvol, maar ook niet hopeloos. Dick blijft achter in zijn atelier, deze wijze, relativerende tachtigjarige. Hij lijkt mij iemand die door een jong gezicht heen het oude gezicht al kan zien en dat nog mooi vindt ook.