Recepties

Een dezer dagen trof ik in het café een kennis uit de reclamewereld, die een volkomen uitgeputte indruk maakte. Hij zag er bleek en moedeloos uit, alsof hij ’s morgens bij het wakker worden tot de conclusie was gekomen dat het hoogtepunt van zijn leven eigenlijk al ver achter hem lag. Gezien zijn leeftijd – een jaar of vijftig – was dat ook niet onaannemelijk.

Het kwam niet door de drank, althans niet die van vandaag, want het was nog vroeg in de middag en hij zat aan de leestafel achter een veilige cappuccino.

Ik nam tegenover hem plaats en nog voordat ik iets had kunnen vragen, zei hij: „Ik heb nergens meer zin in. Heb jij dat ook wel eens?”

„Wie niet?”

„Maar ik heb het vooral bij het begin van het nieuwe jaar. Herken jij dat?”

„Niet speciaal.”

Ongetwijfeld een teleurstellend antwoord, maar het weerhield hem gelukkig niet van verdere confidenties. „Voor mijn contacten is het goed dat ik zoveel mogelijk nieuwjaarsrecepties afloop”, zei hij, „maar ze hebben een dodelijke uitwerking op mijn energie.”

„Vertel”, zei ik gretig.

Hij bestelde voor mij en voor zichzelf nog een kop koffie en stak, opeens opmerkelijk levendig, van wal.

„Wij zijn, zoals je weet, geen volk van geweldige sprekers. Daar valt best mee te leven, als je niet in twee weken zes nieuwjaarsrecepties moet aflopen. Hoe slechter de spreker, hoe langer zijn tekst – dat is een natuurwet. Ze powerpointen je net zo lang tot je bewusteloos bent. Om weer bij te komen, krijg je een lauwe Vietnamese loempia geoffreerd, die tot voorbij middernacht als een tsunami omhoogkomt.”

Ik knikte, niet helemaal overtuigd. Het leven van een Nederlandse receptieganger kan hard zijn, maar ik zou het toch nog niet willen vergelijken met dat van een creperende aidslijder in de Karoo.

Hij zag mijn twijfels en zei: „Ook het sociale verkeer op zo’n receptie begint me af te matten.”

„Hoezo? Er zijn toch altijd aardige mensen bij?”

„Maar ook onaardige, en die komen óók op je af. Want het is Nieuwjaar en de beste wensen moeten zonder aanzien des persoons gewenst worden. En dus sta je opeens in de wang te happen van iemand van wie je weet dat ze jou nog veel meer haat dan jij haar, en voel je je veranderen in één grote zoutpilaar van schijnheiligheid.”

„Sociale veinzerij hoort erbij”, probeerde ik te troosten.

Hij schudde het hoofd. „Een, twee recepties gaat nog, maar zés...”

Hij haalde een blauw vouwblad met het woord ‘Invitatie’ op de voorkant uit zijn binnenzak. Pathetisch las hij voor: „Met veel plezier nodigen wij u uit voor een heildronk op het nieuwe jaar. Dat het voor ons en voor u even voorspoedig moge worden als het oude jaar! Wij zien uit naar het weerzien.”

Hij zuchtte diep. „Wie zegt dat het oude jaar zo voorspoedig voor mij is geweest?”

Toen zei hij ferm: „Ik ga er niet heen. Die verschrikkelijke Kalstra is de baas van die club. Hij is een echte kusser, ook van mannen. Eén kus van Kalstra en je voelt je vies voor de rest van het jaar.”

Hij rekende af en nam afscheid, zonder te kussen.

    • Frits Abrahams