Pro-life versus pro-choice

Oude tijden herleven. Het abortuscomité ‘Wij Vrouwen Eisen’ is uit het vet gehaald. De knap getimede uitzending van de Evangelische Omroep over zwangerschapsafbreking om een schisislip (hazenlip in de volksmond) zorgde voor een schokgolfje op een gevoelig moment. De formatiebesprekingen voor een kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie stonden immers op het punt van beginnen. Naar verluidt heeft het gezelschap van zeven heren gisteren in het Catshuis al over de abortuskwestie gesproken.

In de VS woedt de strijd tussen de voor- en tegenstanders van abortus (ietwat fijngevoeliger aangeduid als pro-life en pro-choice) al veel langer, en veel heviger. De tegenstanders van abortus zetten alles op alles om Roe vs Wade, de uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof die deze maand 34 jaar geleden abortus legaliseerde, stukje bij beetje terug te draaien. Met de slogan ‘Abortion should be safe, legal and rare’ probeert Hillary Clinton beide kampen voor zich te winnen.

Net als de pro-life beweging in Amerika knabbelen de confessionele partijen in Nederland aan de randen van de abortuswet. Zo heeft staatssecretaris Ross (CDA) in december de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap uit 2005 nog aangegrepen om ook voor de allerprilste zwangerschappen (tot twee weken over tijd) 5 dagen bedenktijd verplicht te stellen. Bovendien verzet Ross zich tegen het aanbieden van prenatale screening aan alle zwangere vrouwen.

Gert – het leven is een geschenk van God – Schutte (oud-fractievoorzitter van het GPV, dat is opgegaan in de ChristenUnie) pleitte er op 30 december in deze krant voor om de arts te laten registreren op grond van welke noodsituatie hij precies is overgegaan tot een abortus. Op die manier zou het begrip ‘noodsituatie’ (een voorwaarde voor abortus) in zekere mate worden geobjectiveerd, en niet langer uitsluitend worden ingevuld door de abortusvragende vrouw.

In de eerste plaats valt op het uitgangspunt van Schutte nog wel wat af te dingen, zoals hoogleraar medische ethiek Engberts terecht opmerkte. Want waarom zou God, behoudens de Maagd Maria, het leven slechts schenken aan vrouwen met een sekspartner en waarom niet aan alle vruchtbare vrouwen? Dat een kind een moeder én een vader nodig heeft, kan geen argument zijn. Van een one night stand met meneer X of een brute verkrachting kan een vrouw ook zwanger raken.

In de tweede plaats leidt het voorstel van Schutte om de grond voor de noodsituatie voortaan te registreren tot het antwoord op de verkeerde vraag. Het probleem is immers niet dat vrouwen in Nederland te gemakkelijk overgaan tot afbreking van de zwangerschap (minder dan twee procent van de abortussen gebeurt op medische indicatie). Het probleem is dat, ondanks de huidige stand van de anticonceptietechniek, vrouwen nog steeds onbedoeld zwanger raken.

Uit de evaluatie van de abortuswet komt naar voren dat de abortusvraag het meest voorkomt bij jonge vrouwen in de leeftijdscategorie 20 tot en met 24 jaar. Meer dan de helft van de vrouwen onderneemt binnen 5 dagen nadat ze ontdekt hebben dat ze zwanger zijn, actie om de zwangerschap te laten beëindigen. In driekwart van de gevallen vindt de zwangerschapsafbreking minder dan zes tot zeven weken na de bevruchting plaats.

Het embryo is dan nog nauwelijks te onderscheiden (niet groter dan een tuinboon, met een vlies dat de nageboorte zou vormen). De ingreep is te vergelijken met een flinke menstruatie. Onder die omstandigheden hoeft een abortus niet dramatisch te zijn. Veel prille zwangerschappen eindigen immers in een spontane abortus, soms zelfs zonder dat de vrouw daar zelf erg in heeft.

Wel is het zo dat de abortusvraag sinds 1990 met 60 procent is gestegen van ruim achttienduizend tot bijna dertigduizend ingrepen per jaar. Deze stijging is met name toe te schrijven aan de toename van het aandeel allochtone vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Zij vrijen doorgaans onveiliger, mogelijk omdat abortus als minder bezwaarlijk wordt gezien, maar waarschijnlijk omdat ze minder goed zijn voorgelicht over en minder toegang hebben tot anticonceptie.

Als je – zoals de ChristenUnie – wél zwaar tilt aan het aantal abortussen in Nederland (vergeleken met andere landen is dat aantal overigens nog altijd laag), dan moet je kijken hoe je het aantal onbedoelde zwangerschappen kunt terugdringen. Dat doe je, om te beginnen, door goede voorlichting te geven over het gebruik en de verkrijgbaarheid van voorbehoedsmiddelen tijdens de inburgeringscursus (in de asielzoekerscentra zorgt de GGD daar nu voor).

Verder ligt het, gelet op de etnisch-culturele inkleuring van het abortusvraagstuk, niet voor de hand om als overheid je hoop te vestigen op de intergenerationele kennisoverdracht in de huiselijke kring als je een attitudewijziging wilt bewerkstelligen. Het is veel beter om in de kerndoelen voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs (het verplichte curriculum) op te nemen dat leerlingen moeten leren op welke verschillende manieren zwangerschap effectief kan worden voorkomen.

In Nederland is het aantal tienerabortussen tussen 1990 en 2000 gestegen met 115 procent. In de VS is het aantal tienerabortussen in diezelfde periode juist gedaald met 45 procent. Ook het percentage seksueel actieve middelbare scholieren in de VS is in die periode met bijna een kwart gedaald. Dit opmerkelijke resultaat is volgens deskundigen niet alleen te danken aan de betere seksuele voorlichting en beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen maar net zo goed aan de conservatieve programma’s in Amerika gericht op seksuele onthouding. In Nederland zou een dergelijke tweeledige benadering ook heel succesvol kunnen zijn bij het terugdringen van het aantal abortussen. Ik begrijp werkelijk niet waarom het CDA en ChristenUnie die weg afsnijden door krampachtig vast te houden aan de vrijheid van onderwijs.

Het artikel met de uitspraken van Schutte is na te lezen op www.nrc.nl/opinie

    • Heleen Mees