Nog altijd de schrik van veel mannen

„Ik moet keuzes maken”, zegt Judit Polgar over haar afwezigheid bij het Corus schaaktoernooi dat morgen in Wijk aan Zee begint. En: „Toen ik zwanger was herinnerden collega’s zich weer dat ik vrouw was.”

Judit Polgar met kind. Foto Marcel Rözer Rözer, Marcel

In een van de vele badhuizen van Boedapest is het buitenbad gehuld in dikke nevelwolken. Min vier is het, maar natuurlijke bronnen zorgen dat het bad 38 graden is. De mist verbergt zo nu en dan een oploopje van silhouetten in de hoek van het bad. Groepjes mannen staren op stenen schaakborden die net boven het water uitsteken. Alle schakers beschikken over drie of vier adjudanten, met wie elke zet wordt geanalyseerd. „Hongarije heeft een schaakcultuur”, zegt Judit Polgar even later in haar appartement dat uitkijkt over Pest. „Het is onderdeel van ons leven.”

Judit Polgar (30) is deel drie – twee oudere zusjes gingen haar voor – in het experiment dat vader Laszlo Polgar in de jaren zeventig en tachtig uitvoerde. Papa Polgar hield zijn kinderen thuis van school; hij wilde bewijzen dat elk kind met een gerichte opvoeding ergens heel goed in kan worden. Hij gaf ze een schaakopleiding. „Ik geloof niet in talent, ik geloof in gericht en hard werken”, bracht hij zijn filosofie destijds onder woorden. „We bouwen hier niet aan een zandkasteel, maar aan een fort van kennis.”

Hard werken moesten ze, de Polgar-zusjes. ’s Ochtends om zes uur op en na het ontbijt tafeltennissen voor de lichamelijke conditie. Daarna zes tot acht uur schaakstudie per dag. Papa, die zijn baan als leraar opzegde om zich aan zijn dochters te kunnen wijden, was zo bezeten dat hij een keer de poten onder de keukentafel vandaan zaagde; hij had het blad nodig om schaakproblemen op te prikken. „They are like trained dogs”, zei Gary Kasparov over de enige schakers die hem de afgelopen decennia wat betreft aandacht overtroffen.

Ze werden alle drie internationaal grootmeester, maar de jongste schopte het het verst. Geheel volgens de verwachtingen van Polgar senior: „Ik verwachtte dat Judit beter zou zijn dan haar zusjes, omdat onze algemene situatie gemakkelijker was geworden. Minder conflicten met allerlei instanties en we hadden meer ervaring.”

Zo werd Judit Polgar de schrik van veel mannen. „Ze is een monster, een moordenaar”, zei de Engelse grootmeester William Hartston vijftien jaar geleden over de kleine Polgar. „Ik schaakte agressief, aanvallend”, zegt ze nu. „Als een man. En ik won veel. Daar werd ik blij van. Ik denk dat die onbevangen vrolijkheid voor veel mensen leuk was om te zien. Maar mijn tegenstanders konden me wel schieten. Ze verloren van een piepjong meisje.”

Het meisje werd vrouw en ‘one of the guys’. „Die herinnerden zich pas weer dat ik een vrouw was, toen ik zwanger was.” De Nederlandse schaker Loek van Wely herinnert zich de rentree van Polgar bij het Corus-toernooi van 2005 nog goed. „Ik ken Judit al lang en gun haar haar moederschap. Maar ze is een tegenstander en dus kijk je of je bij haar een zwakte kunt ontdekken. Dat doe je met alle schakers, dus ook met iemand die toevallig vrouw is en moeder werd. Ze leek een potentiële prooi: ze was er langere tijd uit geweest en misschien niet zo goed voorbereid. Helaas bleek dat een illusie: Polgar was gewoon weer goed.”

Ze won enkele maanden geleden in Hoogeveen het Essent-toernooi, maar ontbreekt bij het Corus-toernooi dat morgen begint. „Ik moet keuzes maken. In mei is er een kandidatenmatch, de winnaar mag meedoen aan het toernooi dat de uitdager van de wereldkampioen op moet leveren.”

Kan de moeder van Oliver (2) en Hanna (0) wereldkampioen worden? Ze is zich ervan bewust dat een schakende vader die vraag niet krijgt voorgelegd. Polgar na een zucht: „Ik heb mijn hele leven dit soort vragen moeten beantwoorden. Ik weet niet of ik ooit de nummer 1 word. Ik zou niet meer alles opgeven om die positie te bereiken. Sommige mannen wel, die zouden hun ziel zelfs verkopen om de beste van de wereld te zijn.”

Maar is het dan dat laatste restje meedogenloosheid, dat winnen-ten-koste-van-alles dat bij mannen aangeboren is? „Vrouwen zijn niet egoïstisch genoeg”, beaamt ze. „Ik kan me soms een periode afsluiten, maar dat lukt lang niet altijd.” Ze lacht als wordt gerefereerd aan Kasparov die tegen een jonge Polgar een paard weg dreigde te geven en die zijn zet op een onbewaakt ogenblik terugnam. Een doodzonde. „Kasparov is een slecht verliezer. Hij pakte zijn kans. Ik was een meisje en durfde er niks van te zeggen. Het balletje is door iemand anders aan het rollen gekomen. Ik had geluk dat er tv-beelden van waren, anders had niemand me geloofd.”

Ze laat haar studeerkamer zien. Bureau, twee laptops, boekenkasten tegen elke muur. Op een ingelijste foto een kleine Polgar achter een schaakbord, de voorpagina van de International Herald Tribune. Op een ander tafeltje een bord, met de stukken opgesteld, klaar voor een partij. „Er zijn dagen dat ik geen stuk aanraak. Alles zit in de computer. Die heeft het schaken veranderd. De theorie is zo door ontwikkeld dat er minder verrassende partijen ontstaan.”

Of Oliver en Hanna gaan schaken is voor haar geen vraag. „Maar ik weet niet hoe goed ze worden. Ze moeten het wel leren. Waarom? Als je schaken goed doorgrondt, leer je te leven. Als schaker leer je plannen te maken en daarmee creatief om te gaan. Je leert origineel te zijn. Je moet zelf beslissingen nemen, beslissingen waardoor je ook kunt verliezen. En je leert voor jezelf op te komen.”

Er is veel veranderd sinds de komst van de kinderen. „Ik herken het gevaar dat nu de relativering om de hoek loert. Wat is er nu belangrijker dan je kinderen?” Toch ziet ze ook positieve veranderingen. „Ik kan mijn partijen eerder los laten. Op een toernooi als Corus speel je elke dag een partij. Stel je bent zeven uur keihard aan het werk en je speelt remise. Of je verliest. Dan kom je op je hotelkamer en pieker je je suf of je het beter had kunnen doen. Dat is riskant, je besteedt te lang energie aan iets dat niet meer terug te draaien is. Het zijn gevoelens die je noodgedwongen met je mee draagt. Het is voor elke topschaker een opgave om daar goed mee om te gaan. Ik merk dat ik nu, als moeder, sneller over tegenslagen heen stap. Het lijkt alsof ik daarom geconcentreerder ben dan andere jaren.”

Dan excuseert ze zich. Zoon Oliver, die speelt met oma, wordt opgepakt. Ze knuffelt hem en zet hem dan in de box. Vanuit een glazen vitrinekast kijken tientallen koningen, koninginnen, paarden en lopers neer op het ventje. „De meeste schaakstukken en borden heb ik gekregen of gewonnen”, zegt ze. „Ik vind schaakstukken heel mooi, ben het nooit moe om ernaar te kijken. Mijn favoriete stuk is het paard. Heb ik altijd gehad. Als kind vond ik het grappig dat het over andere stukken heen sprong en later waardeerde ik die kwaliteit als schaker zeer. Maar denk niet dat ik gehecht ben aan het paard. Ik kan het me niet permitteren om het paard te sparen.”

Ze kijkt naar haar zoon. „Een kind maakt het leven rijker. Als je je eigen kind op de arm hebt, weet je wat een eerlijke blik is. Een groter contrast met iemand tegenover me aan een schaakbord is bijna niet mogelijk.”