Nederland in strafbank door Somalische vluchteling

Het vonnis van het Europese Hof in Straatsburg dat Nederland het verbod op martelen heeft geschonden in een zaak van een Somalische vluchteling, kan grote gevolgen hebben voor het asielbeleid.

Het is een duidelijke correctie op „het excessieve formalisme” van het Nederlandse asielbeleid, en een scherpe terechtwijzing van de asielrechtspraak van de Raad van State. Het is een teken dat de grenzen van de wet, die minister Verdonk als minister van Vreemdelingenzaken zelf zei op te zoeken, nu bereikt zijn. Dat is, samengevat, hoe juristen en asieladvocaten denken over de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gisteren. Aanpassing van het Nederlandse asielbeleid is onvermijdelijk, zeggen ze.

Het Hof in Straatsburg vonniste dat Nederland het verbod op martelen en onmenselijk straffen schond door een asielzoeker terug te willen sturen naar het noorden van Somalië. Volgens Nederland liep Salah Sheekh geen groter risico dan andere leden van zijn minderheid en had hij een vluchtalternatief in noord-Somalië.

Dat is volgens het Hof onjuist. De asielzoeker hoeft van het Hof niet aan te tonen meer gevaar te lopen dan anderen. Dat hij deel uitmaakt van een vervolgde minderheid, en in het verleden ook gevaar liep, is volgens het Hof voldoende reden voor bescherming. Het binnenlands vluchtalternatief dat Nederland ziet, is volgens het Hof in realiteit niet aanwezig.

Het Hof in Straatsburg besteedde twintig van het dertig pagina’s tellende vonnis aan een uitgebreide beschouwing van de feitelijke situatie in Somalië, en wat de gevolgen daarvan zijn voor Salah Sheekh. Een opmerkelijke keuze, zegt Thomas Spijkerboer. Volgens de hoogleraar asielrecht beschouwt de Raad van State de informatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken als „bijna heilig”. Het Hof gaat gewoon zelf op onderzoek uit, en laat daarmee zien dat het een ander idee van rechterlijke controle heeft. In het vonnis legt het Hof uit dat het zelf informatie is gaan verzamelen omdat er reden was „om te twijfelen aan de juistheid” van de Nederlandse informatie.

Door het landenrapport van Buitenlandse Zaken te vergelijken met eigen informatie gaat het Hof „ontzettend dicht op de huid van de Staat zitten”, zegt Flip Schüller, de advocaat van de Somalische asielzoeker. Bezien vanuit asielzoekers en hun advocaten een blijk van „gezond wantrouwen”, tegen de Staat. Maar vroeger was dat ondenkbaar. Schüller noemt het vonnis voor Nederland „zorgelijk en beschamend”.

Deskundigen lezen in de uitspraak van het Hof een scherpe terechtwijzing van de praktijk van de Raad van de State. Die controleert uitzettingsbeslissingen van de minister juist vooral op de procedure. Dat gaat zo: ‘Kon de minister destijds in redelijkheid tot die beslissing komen op basis van de informatie die hij toen had’. Straatsburg wil het zo: ‘Nam de minister destijds wel een inhoudelijk juiste beslissing, ook gezien de omstandigheden die daar op dit moment bestaan’. Het Hof weegt dus ook actuele informatie mee.

De uitspraak zal asielzoekers en hun advocaten niet ontgaan. Dat de Raad van State het eigen, veel beperktere toetsingsbeleid moet aanpassen is „onvermijdelijk”, zegt Flip Schüller. „Het Hof legt heel duidelijk en inhoudelijk uit waarom het bepaalde standpunten inneemt. Daarmee verwerf je gezag. De Raad van State motiveert niet of slecht, en wordt zo steeds minder relevant.”

De uitspraak van het Hof in Straatsburg zegt niet alleen iets over hoe Nederlandse rechters het asielbeleid moeten toetsen, maar heeft ook gevolgen voor de inhoud van het beleid. Volgens deskundigen zet het Hof nu een stap in de richting van ‘categorale bescherming’ van groepen asielzoekers. In ieder geval voor Somaliërs van een bepaalde minderheid. Dat biedt asieladvocaten ook nieuwe perspectieven.

De Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND) hanteert als vaste regel dat een asielzoeker moet aantonen dat het gevaar dat hij bij terugkeer loopt, speciaal hemzelf betreft. Sinds het Vilvarajah arrest uit 1991 gold als Europese standaard dat asielzoekers juist individueel specifieke risico’s moesten lopen om voor asiel in aanmerking te komen of uitzetting te voorkomen. Het risico om potentieel slachtoffer te worden van willekeurig geweld was niet voldoende. Evenmin het lidmaatschap van een vervolgde minderheid. De asielzoeker moest ‘particuliere omstandigheden’ aanvoeren, waardoor hij eerder dan anderen slachtoffer zou worden.

In de praktijk werkt dat onrechtvaardig, zo werd sinds ‘Vilvarajah’ steeds vaker door commentatoren betoogd. Vluchtelingen uit instabiele landen waar oorlog, terreur en marteling algemeen voorkomen staan voor een veel moeilijker bewijsklus dan vluchtelingen uit relatief rustige landen. Een vluchteling uit, bijvoorbeeld Chili, krijgt zo meer bescherming dan iemand uit een chaotisch oorlogsgebied.

Lidstaten voerden het argument van ‘individueel risico’ aan om te voorkomen dat complete bevolkingsgroepen recht op asiel zouden claimen.

In het Shala Sheekh arrest verlicht het Hof de bewijslast voor asielzoekers. Voor deze Somaliër is het voldoende als hij bewijst tot de Ashraf-minderheid te behoren, en dat hij in het verleden gevaar liep. Als de asielzoeker meer zou moeten bewijzen ,,dan is de bescherming van dit artikel voor hem een illusie’’, aldus het Hof.

Daarmee is een juridische grens doorbroken. Dit komt neer op het ‘afdwingen’ door Straatsburg bij de Raad van State van groepsbescherming, menen sommige juristen. Althans van groepen uit landen die even ordeloos zijn, waar clanbescherming net zo belangrijk is en de minderheden even vijandig tegenover elkaar staan als in Somalië. In ieder geval zijn de kansen van andere Somaliërs van Ashraf-herkomst op een vergunning in Nederland sterk gestegen.

Uitspraak op www.echr.coe.int, op trefwoord Sheekh