Nabokov en het akelige mens

‘Openbaringen’ is ....

Lag het aan de gouvernante of aan Marie Corelli?

Halverwege Speak, Memory memoreert Vladimir Nabokov verscheidene opvoeddames die hem zo rond z’n tiende, elfde vreemde talen en literatuur moesten bijbrengen. In de opsomming valt hij ineens kort uit over eentje die hij één zin, en niet eens een naam gunt. ‘Daar was dat akelige mens dat me Marie Corelli’s The Mighty Atom voorlas’, lezen we in de Nederlandse vertaling van Rien Verhoef.

Marie Corelli?

Dat vergt waarschijnlijk enige uitleg. Zelf herinner ik me haar van de boekenkast. Lang geleden genoot ze niet alleen in het Rusland van de tsaar, het Engeland van Edward, het Italië van Umberto en het Duitsland van Wilhelm maar ook in het koninkrijk van Wilhelmina de immense populariteit die we in onze dagen van Donna Tartt kennen, en mijn ouders hadden veel van haar romans in hun kast.

Als kind onthoud je boeken niet zozeer door ze te lezen (wat ik in het geval van Marie Corelli pas jaren later uit een soort nieuwsgierigheid een beetje ben gaan doen), maar door de geheimzinnigheid van hun titel, door hun uiterlijk, door de manier waarop ze in de hand lagen, of door hun geur.

De boeken van Marie Corelli – donkerblauw, altijd stevig ingelijmd in wat ze toen een sierband noemden, met gouden arabesken om de titel heen – roken lekker. Maar het meest bijzondere aan haar verzameld werk was de auteursfoto, die in alle wereldwijde edities op het frontispice stond afgedrukt. Beeld van een blonde, volgekapte dame, hoofd een beetje scheef, certain âge, niet om nou te zeggen opvallend mooi, maar met iets languissants, en alsof ze al jaren bezig was een brandende hartstocht onder de duim te houden. Indrukwekkend, voor jongetjes van elf.

Ook Nabokov zal naar het portret hebben gekeken. Tussen 1880 en 1920 is haar beeltenis (steeds dezelfde trouwens; ze is in de boeken nooit ouder geworden) van Moskou tot Manchester en van Oslo tot Oporto in miljoenen exemplaren verspreid.

In één van haar als altijd nogal esoterische romans komt een ongelukkige vrouw voor, die zelfmoord heeft gepleegd en die in een nagelaten brief het volgende alsnog opbiecht:

‘Vertroeteld, gevleid en bedorven, werd ik er steeds aan herinnerd dat ik er vooral aardig uit moest zien, en behagen in mijn kleederen moest scheppen, en bezat ik reeds op een leeftijd van tien jaren eene zekere dosis coquetterie. Oude losbollen die naar wijn en tabak roken, namen mij gaarne op hunne knieën, en knepen mij in mijn mollig vleesch. Zij plachten op mijne onschuldige lippen hunne verwelkte te drukken, verwelkt en bezoedeld door de kussen der lichte vrouwen en sletten der stad,’

Niet ongewoon natuurlijk voor 1895, maar toch nèt iets ‘realistischer’ dan wat toen in het populaire genre als ‘ondeugend’ werd getolereerd.

Zou het autobiografisch zijn geweest? God mag het weten. Corelli’s biografie zit vol hiaten. Ze leefde van 1855 tot 1924, was het ‘onechte’ kind van een Italiaanse vader, werd al vroeg geadopteerd door de Engelse journalist Charles Mackay, zou na diens vroege dood door onaardige voogden in een klooster zijn opgeborgen, maar wist zich daaraan te ontworstelen door een boek te fantaseren dat onmiddellijk een bestseller werd. Haar pseudoniem koos ze als hommage aan Arcangelo Corelli (1653- 1713) die wel ‘de vader van het vioolspelen’ is genoemd.

Natuurlijk vraag je je af of het ‘akelige mens’ met haar voorlezingen uit Corelli nog verder is gekomen dan The Mighty Atom – of ze de kleine Nabokov bijvoorbeeld ook nog kan hebben getrakteerd op het verhaal van de ongelukkige Lolita die al op haar tiende door Humbert Humbert-achtige losbollen in haar mollige vlees werd geknepen, met alle larmoyante gevolgen van dien. Hoe verleidelijk het idee dat de geschiedenis Nabokov kan zijn bijgebleven, en dat ze hem tenslotte heeft geïnspireerd tot de geniale omdraaiing, dat wil zeggen tot het blijspel van een man en een nimf, die zich aan gene zijde van wet en moraal in het paradijs waanden.

Het fascinerende aan boeken als van Marie Corelli is dat je maar een paar ‘morele’ thema’s hoeft om te keren – en natuurlijk een hoop onzin overboord moet gooien – om in de buurt van een meesterwerk te komen. Het is het geheim van het bestsellerschema, dat een sjabloon is en dat, op kleine aanpassingen aan tijd en mode na, tot in lengte van dagen kan worden gerecycled.

Corelli heeft lang geteerd op wat rond de toenmalige eeuwwisseling een onverslijtbaar roman-ingrediënt leek: de exotiek, de Blavatskyleer en de pseudo-religiositeit van duivels, heilanden en jonge nonnen. De ondoorgrondelijke Egyptische godenleer was bijvoorbeeld een dankbaar terrein. De Nijlroman Ziska – ondertitel: ‘het raadsel van een verdorven ziel’, droeg ze op aan ‘de thans levende reïncarnatie van Araxes’.

Maar het mooist is de manier waarop ze in haar bekendste boek – The Sorrows of Satan; in het Nederlands: De smarten van Satan – haar eigen functioneren als het ware onder de loep neemt. Hoofdpersoon in het boek is een schrijver die de publieke smaak wenst te trotseren. ‘Dat gaat niet, beste vriend’, houdt zijn uitgever hem voor. ‘Ge moet de maatschappij nooit berispen: zij immers koopt de boeken. Als ge nu eens een aardige liefdeshistorie kondet schrijven, zo’n beetje gewaagd, zelfs wat meer dan gewaagd, dát zou juist in den smaak van den tegenwoordigen tijd vallen,’

Maar de schrijver kan het niet, houdt dus op schrijver te zijn, en raakt in handen van een demonische (alweer Italiaanse!) vriend met wie het even slecht zal aflopen als met hemzelf: de straf voor zijn ‘verraad’ aan de publieke smaak.

In 1940 is in Londen nog een studie verschenen – Marie Corelli, Life and Death of a Best-Seller – waarin een prille literatuursocioloog genaamd Gerald Bullock probeerde te verklaren waarom Corelli aan het eind van haar leven ineens de lezersgunst kwijt raakte. Ineens van haar geloof, respectievelijk haar sjabloon gevallen? Natuurlijk niet. Mode-artikelen à la ‘de thans levende reïncarnatie van Araxes’ waren voorbij, en zij had niet zo gauw andere trendgevoeligheden bij de hand om het eeuwige bestsellerschema mee te vullen.

Het ‘grijze kind’ Vladimir Nabokov kan op z’n elfde best hebben aangevoeld dat hij zulke boeken nooit zou schrijven. En wie ze toch voorlas was dus een akelige gouvernante.

    • Jan Blokker