Katja's Dagboek

Wat voorafging: Katja is met Tjalling op zoek naar haar beste vriend Sebastiaan. Tijdens hun tocht belanden ze in een woestijn. Daar wonen badeenden die in een heilige oorlog verwikkeld zijn. Maar met wie?

illustratie Daan Remmerts de Vries Klifhanger 21 Remmerts de Vries, Daan

Nou, Sebastiaan, mompelde ik terwijl ik aan een muggenbult in mijn knieholte krabde, daar gaan we weer. Hij moest eens weten wat ik allemaal dééd, om hem te vinden! Nou liepen we weer door een woestijn. Ik had vreselijke dorst. Voor me uit liep een gele badeend. Of eigenlijk liep hij niet, hij sloop. Flapvoet voor flapvoet. We waren op verkenningstocht. We zochten de vijand die de eenden ‘de zwabbers’ noemden.

,,Wat denk je, zouden het een soort beesten zijn?” vroeg ik aan Tjalling.

Hij haalde zijn schouders op, duidelijk teveel buiten adem om iets terug te kunnen zeggen. We ploegden door het zand. Ik zag een schorpioen onder een steen schieten. Ergens lag een geraamte van een koe. Voor de rest was er helemaal niets te zien, behalve dan dat kleine eendenkontje dat maar nijver voor ons uit bleef waggelen.

Op het moment dat ik bijna omviel – zo’n slaap had ik intussen – kwaakte de eend, luid en geschrokken. Hij vloog op en landde achter een cactus. Tjalling en ik sprongen hem achterna; gelukkig was het een heel dikke cactus.

,,Ssst”, blies de eend. ,,Kijk”. Hij gebaarde met de punt van zijn vleugel naar iets in het zand, een eind verderop. Tjalling fronste zijn wenkbrauwen. Ik zag ook niets. Of toch? Er staken twee kleine oortjes boven het zand uit. Pluisoortjes, van bont.

,,Is dát de vijand?” vroeg ik. ,,Die schattige oortjes?” Ik giechelde, ik kon er niets aan doen. De eend knikte bevend. We staarden een tijd naar de oortjes.

,,Kom op, Tjalling”, zei ik toen. ,,Gaan wij dichterbij kijken naar dat enorme gevaar.”

Tjalling moest lachen, zag ik. We konden elkaar maar beter niet aankijken nu.

,,Ja”, kwekte de eend. ,,Gaan jullie verder op onderzoek uit, informeer ik het thuisfront. Dat ze moeten komen. Dat de strijd zowat op beginnen staat. Ze rukken op!”

De eend vloog weg. Tjalling en ik kropen in de richting van de oren. Ze leken te groeien. Plop. Ineens stak er een heel hoofd boven het zand uit. Een rond hoofd met enorme ogen en een snavelachtig bekje.

,,Kijk nou”, zei ik verbluft. ,,Het is een Furbie”.

We proestten het uit, waarop de Furbie terug in de grond kroop. Hij keek een beetje verontwaardigd, leek het wel. Ineens was ik helemaal niet vrolijk meer. Ik had ook Furbies, thuis. Wel vijftien. Ik speelde altijd dat ze mijn zusjes waren. Echte zusjes had ik niet. Echte vrienden trouwens ook niet, op Sebastiaan na. Mijn ouders werkten altijd. Ik veegde steels langs mijn ogen. Toen schrok ik. Aan de horizon was een leger verschenen. Zoveel Furbies had ik nog nooit bij elkaar gezien.

(Wordt vervolgd)