‘Ik wacht gewoon af wat er gebeurt’

De Hongaarse fotografe Ata Kando (1913) is in Nederland vooral bekend als ‘de vrouw van Ed van der Elsken’. Maar in het buitenland geldt ze als een van de groten van de fotografie.

Ata Kando foto Vincent Mentzel Ata Kando,fotografe. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Bergen,15 december 2006 Mentzel, Vincent

Een zwart-witfoto van een paar vluchtelingen die over een akker lopen en op de rug zijn gefotografeerd. Een van hen draagt een kind op de rug, de ander heeft een klein kind op de arm dat vanaf de schouder angstig de lens inkijkt. Het is een sober beeld en wat er op deze foto is te zien lijkt op het eerste gezicht niet heel bijzonder. Maar het verhaal erachter is dat wel.

Vijftig jaar na dato doet de maker van de foto, na een paar keer bellen, de deur open in een serviceflat in Bergen-N.H. Een kleine, tengere verschijning met een bos weerbarstig wit haar kijkt met levendige ogen de bezoeker aan. In de hal en de kamer hangen overal foto’s: van kinderen in de bergen, indianen in het oerwoud, modefoto’s uit de jaren vijftig in Parijs. Op de tafel in de woonkamer ligt een stapel fotoboeken, een paar onderscheidingen en een envelop met een stempel van het Witte Huis.

Ata Kando pakt de brief uit de envelop en leest voor: „Dear Ata, dank voor de historische foto die ik van András heb gekregen. De les van de Hongaarse revolutie is duidelijk: vrijheid kan worden uitgesteld maar niet worden ontkend. Met de groeten van Laura.” Was getekend: George W. Bush.

Kando pakt het Rode Boekje Zonder Naam, dat ze in 1956 samen met haar collega Violette Cornelius maakte, en zoekt tussen talloze beelden van voornamelijk kinderen naar de vluchtelingenfoto. „Kijk, hier, András Simonyi, de Hongaarse ambassadeur in Washington, overhandigde een paar maanden geleden deze foto aan Bush”, zegt Kando. „Vandaar dat ik deze dankbrief krijg.”

Het is vreemd. In Hongarije is deze 93-jarige fotografe beroemd, maar in Nederland weet alleen een beperkte kring van fotografen wie ze is. „De eerste vrouw van Ed van der Elsken”, is de zin die geregeld volgt op het uitspreken van haar naam. „Ik wil niet klagen hoor, maar eigenlijk ben ik in Nederland altijd een beetje gediscrimineerd. Ten eerste omdat ik een Hongaarse vluchtelinge ben. En ten tweede omdat ik getrouwd was met de beroemdste fotograaf van Nederland. Daar kom ik nooit van los.”

Kando, die in 1954 met Ed van der Elsken

(1925-1990) en haar drie kinderen naar Nederland kwam, is de laatste overlevende van de eerste groep fotografen die lid waren van de Gebonden Kunsten Federatie (GKf). De federatie werd in 1945 opgericht door een aantal geëngageerde reportagefotografen zoals Eva Besnyö, Cas Oorthuys, Carel Blazer en Emmy Andriesse. Volgens de leden was ‘het doel van de fotografie niet het mooie plaatje, maar mededeling door middel van de camera.’ Fotografie had vooral een dienende functie. Te midden van deze fotografen was Kando een buitenstaander. Terwijl Oorthuys en Blazer in de jaren vijftig maatschappelijke onderwerpen op een realistische manier in beeld brachten en Van der Elsken het leven op zijn donkere, grofkorrelige manier fotografeerde, waren de foto’s van Ata Kando een stuk minder extreem. Toch maakte ze vaak gedurfde en experimentele composities.

Haar modefoto’s, die ze in de jaren vijftig voor Franse modehuizen maakte, waren eigenzinnig, soms bijna documentair. De modellen waren niet zo opgepoetst. Kando nam ze mee de straat op, wat in die tijd nauwelijks werd gedaan.

Ook maakte Kando veel eigen werk – dromerige, poëtische fotoseries van haar kinderen – en was ze op haar manier ook geëngageerd. In 1956, het jaar van de Hongaarse opstand, besloot ze als enige fotografe niet naar Boedapest af te reizen, maar naar het grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije. Ze wilde het leed van de duizenden Hongaren vastleggen die probeerden het land te ontvluchtten. Van tevoren had ze haar collega’s opgebeld. „Ik vroeg iedereen: van Cas Oorthuys tot Ed. Maar niemand ging mee. Ze vonden het te gevaarlijk.”

Tot Kando mede-GKf-lid Cornelius aan de lijn kreeg: „Zij wilde wel, op voorwaarde dat we van tevoren een uitgever zouden vinden.” Dat lukte. De Bezige Bij stemde in en Kando en Cornelius vlogen naar Wenen. Daar kregen ze via het Rode Kruis vervoer naar de vluchtelingenkampen. Ze maakten honderden foto’s, voornamelijk van kinderen. De reportage resulteerde in een boek dat 500.000 gulden opleverde. Kando en Cornelius stelden het geld ter beschikking van de opvang van vluchtelingenkinderen.

In de periode daarna verbleef Kando in Nederland en doceerde ze aan de School voor de Grafische Vakken in Utrecht en de AKI in Enschede. Daarnaast ging ze een aantal keer naar het Amazonegebied om het leven van de indianen vast te leggen. Het resultaat werd gebundeld in het boekje Slaaf of Dood en de foto’s werden vele malen op verschillende plekken in de wereld tentoongesteld. In 1979 vertrok ze voor een lange periode naar de Verenigde Staten. Ook daar bleef ze fotograferen, maar in Nederland raakte ze in de vergetelheid.

Toch refereren meerdere objecten in haar flat aan een veelbewogen bestaan. Kando opent een zwart doosje met daarin een gouden kruis aan een lint: de ridderorde die ze afgelopen november namens de Hongaarse president kreeg uitgereikt in het Amsterdamse fotomuseum Foam. Ze wijst naar een kleine houten standaard met daarop een gouden plaquette. „Hier ben ik het meest trots op.” Het is de ‘Righteous Among the Nations-onderscheiding’ van Yad Vashem die ze in 1999 ontving op de Israëlische ambassade in Londen. „Ik vind het zo jammer dat mijn eerste man hier niets van weet”, zegt ze met een zucht.

In 1941, toen Hongarije zich aansloot bij Hitler-Duitsland, ging de joodse Ata met haar echtgenoot, de Hongaarse kunstschilder Jules Kando bij het verzet. „We vervalsten documenten: geboorteakten, huwelijksakten, noem maar op. Mijn man vulde alles in met valse gegevens, ik was vooral goed in het tekenen van politiestempels met waterverf.” De papieren werden verstrekt aan joden. „Op die manier hebben we honderden levens gered.”

Ook ging Jules een aantal keer verkleed als Pijlkruiser (een Hongaarse fascist, red.) naar de grens met Tsjechoslowakije. Als de treinen naar Auschwitz daar moesten stoppen, stapte hij in en gaf hij de inzittenden het bevel om de trein te verlaten. „Dat heeft hij een paar keer gedaan”, zegt Kando. „Tot hij werd opgepakt. Zijn geluk was dat het hoofd van grenspolitie een klasgenoot bleek te zijn. Die heeft hem laten lopen.”

De laatste tijd krijgt Kando in Nederland meer erkenning voor haar fotografie. Zo was er in 2004 een speciale expositie in Amsterdam ter gelegenheid van haar negentigste verjaardag. En afgelopen jaar zijn de foto’s van de Hongaarse vluchtelingen opnieuw geëxposeerd en is haar ‘rode boekje’ opnieuw uitgebracht door het Nederlands Fotomuseum. Echt trots is Kando op het werk dat ze samen met haar kinderen maakte. Vorig jaar kwam het fotoboek Kalypso & Nausikaä uit, een poëtisch beeldverhaal geïnspireerd op Homerus’ Odyssee , dat ze maakte op een vakantie in Zuid-Italië in 1956 en waarvoor haar kinderen poseerden. De melancholieke foto’s uit het sprookjesboek Droom in het woud verschenen onlangs opnieuw in een editie van Foam Magazine.

Daarnaast zijn er al geruime tijd plannen bij uitgeverij Mets&Schilt om een overzichtswerk uit te geven. Oud-leerling Ad van Denderen en fotograaf Leo Erken selecteerden honderd foto’s uit haar oeuvre. Maar de productie van het boek ligt, wegens geldgebrek, stil. In tegenstelling tot haar vriendin, de Hongaarse fotografe Eva Besnyö (1910-2003), die in Nederland veel bekender is geworden, heeft Kando nooit haar eigen werk gepromoot. „Ik ben een slechte zakenvrouw”, geeft ze toe. „Ik wacht gewoon af wat er gebeurt.”

Ata Kando werd in 1913

in Boedapest geboren als Etelka Görög. In 1928 ontmoette ze op een grafische kunstopleiding de man die haar eerste echtgenoot zou worden. Een jaar later trouwden ze en in 1932 vertrok het echtpaar naar Parijs. Wegens geldgebrek weken ze al snel uit naar Barcelona. „Met een affichewedstrijd had ik een camera gewonnen. In de haven van Barcelona ben ik schepen gaan fotograferen. Ik dacht: als wij met schilderen geen geld kunnen verdienen, dan ga ik maar fotograferen.”

Kando besloot met haar man terug te keren naar Hongarije om, als een van de weinige vrouwen in die tijd, een opleiding fotografie te gaan volgen. Met haar diploma op zak vertrokken ze in 1938 naar Parijs. Na ruim een jaar moest het echtpaar opnieuw het land verlaten. „De Duitsers vielen Frankrijk binnen en alle buitenlanders moesten weg.” Kando vertrok, vier maanden zwanger, naar haar geboorteland. „In Parijs had ik honger geleden. Maar in Hongarije was volop voedsel. Het land was in 1940 nog neutraal. Er mocht niks worden geëxporteerd en het eten was goedkoop. In de tweede helft van dat jaar heb ik me een ongeluk gegeten. Dat heeft mijn zoon gered.”

Kando beviel begin 1941 van een zoon, Thomas. Twee jaar later volgde de tweeling, Juliette en Madeleine. In 1947 gingen Ata en Jules opnieuw naar Parijs. „We hadden het zwaar. Mijn man had geen werkvergunning. Ik moest de kost voor vijf verdienen en we kregen geen voedselbonnen.” Kando ging naar de kinderparken in de rijke buurten waar ze foto’s van kinderen maakte die ze aan au pairs en ouders verkocht. Omdat de armoede aanhield, besloot Jules in 1949 terug te gaan. „We hebben er ruzie over gehad”, zegt Kando. „Maar hij ging toch en met de komst van het communisme in Hongarije kon hij daarna het land niet meer uit. Ik wilde niet meer terug. De geschiedenis heeft ons gescheiden.”

Via oorlogsfotograaf Robert Capa,

een vriend van het echtpaar, vond Kando werk in de donkere kamer van het fotoagentschap Magnum dat in 1947 was opgericht door de fotografen Capa, Henri Cartier Bresson, George Roger en David ‘Chim’ Seymour. „Capa benoemde mij in het lab. Daardoor kreeg ik een werkvergunning.” Ze moest foto’s afdrukken voor beroemde fotografen van het agentschap, en bleek er talent voor te hebben. „Cartier Bresson wilde altijd dat ik zijn foto’s afdrukte.” Daar, in de doka, ontmoette ze in 1950 Ed van der Elsken. „Tussen ons in stonden acht andere drukkers. In de koffiepauzes hebben we kennis met elkaar gemaakt.”

Van der Elsken trok al snel bij Kando in en in datzelfde jaar vroeg ze een scheiding aan. Omdat haar salaris niet afdoende was om drie kinderen te voeden, werkte Kando dag en nacht. „Ik was nooit voor middernacht thuis. Ik vond het vreselijk om de kinderen zo weinig te zien. Elke dag hoopte ik dat mijn leven zou veranderen. Na een jaar zei Ed: ‘En nu ga ik een andere baan voor je zoeken.’ ” Kando ging tekstkopieën ontwikkelen voor de Bibliothèque Nationale de France. „Het was saai werk, maar ik hoefde maar halve dagen te werken.”

Over die periode schreef Van der Elsken in zijn boek Parijs! 1950-1954: ‘Ata werkte eigenlijk nog harder dan ik. […] Dank zij haar, dank zij haar ploeteren en geld verdienen, heb ik mijn vrije werk kunnen maken. Zij zag haar rol ook zo: de vrouw van De Kunstenaar, die zich opoffert om het voor Hem allemaal mogelijk te maken.’ Kando kan zich nog steeds wel in deze tekst vinden. „Het klopt. Ik heb alles ontwikkeld en afgedrukt. Vooral de foto’s voor zijn eerste boek Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés. Maar Ed kon ook niet alles tegelijk doen. Ik moest hard werken, maar dat gold ook voor Ed.”

Toch vindt ze niet dat ze zichzelf tekort heeft gedaan door het kunstenaarschap van anderen te ondersteunen. „Het is instinctief. Doet niet elke vrouw die van haar man houdt zoiets? Ik heb niet meer of minder gedaan dan een ander zou doen. Alleen had ik misschien de pech dat mijn beide partners zo hard moesten vechten voor hun succes.”

Het leven in Parijs bleef zwaar en in 1954 besloot het gezin naar Nederland te gaan. Daar liep het huwelijk al snel op de klippen. Kando heeft altijd geweten dat haar relatie met Van der Elsken tijdelijk zou zijn, zegt ze. „Ik was mooi, hij was verliefd, we zijn ook getrouwd, maar toch voelde ik dat het niet definitief kon zijn. Ik was twaalf jaar ouder, met drie kinderen. Ed stond aan het begin van zijn carrière.” Kando denkt even en zegt dan: „Misschien was mijn eerste liefde sterker. Ik was achttien jaar met Jules samen. Hij is de vader van mijn drie kinderen. Ed was een boyfriendje.”

In 1979 vertrok Kando naar

de Verenigde Staten waar haar zoon Thomas in Californië een aanstelling kreeg aan een universiteit. Haar dochters Madeleine en Juliette, die beiden dansten voor grote gezelschappen als de Deutsche Oper in Berlijn en Het Nationale Ballet in Nederland, hadden inmiddels ieder een eigen balletschool in Boston en Londen. „Ik vond het heerlijk om oma te zijn en de kleinkinderen te zien opgroeien.” Twintig jaar woonde Kando in de Verenigde Staten en al die tijd bleef ze werken als fotograaf. Ze had een aantal exposities, ging naar Peru en maakte een reportage over de walvisjacht. Pas in 1999 keerde ze terug naar Nederland.

Dat de aandacht voor haar werk is toegenomen nu ze weer in Nederland woont, doet haar goed: „Ik krijg nu ineens emails van mensen uit New York die mijn werk willen exposeren.” Ondertussen zit een groot deel van het archief van Kando nog in dozen die in het Nederlands Fotomuseum zijn opgeslagen. Slechts een heel klein gedeelte daarvan is op een moderne manier geconserveerd. Bij haar thuis liggen alleen nog de oorspronkelijke afdrukken van haar werk. Omdat ze van een AOW-uitkering leeft en de kosten van haar serviceflat redelijk hoog zijn, bijt ze geregeld op een houtje. Sinds kort verdient ze wat bij met de verkoop van haar originele afdrukken door HUP Gallery in Amsterdam. Prettig voor haar, maar het nadeel is dat haar collectie onder verzamelaars verspreid raakt en niet bijeengehouden wordt.

Toch is ze niet ontevreden als ze op haar leven terugblikt. „Ik ben Ed nog steeds dankbaar. Alles wat goed is aan mijn leven, dank ik aan hem. Hier kon ik mijn werk waarmaken. Dat is mij in geen enkel ander land gelukt.” Ze voelt zich thuis in Bergen. „De mensen in dit land zijn aardig, soms een beetje dom, dat wel, maar we leven hier tenminste in vrijheid. En vrijheid, ja, die heb ik soms gemist.”

In Foam Magazine # 9 (winter 2006-2007) is de fotoserie ‘Droom in het Woud’ opgenomen.

Rectificatie / Gerectificeerd

De foto in de verwijzing naar Cultureel Supplement (12 januari, pagina 1) werd niet gemaakt door de Hongaarse fotografe Ata Kando .