‘Ik bewaar de lintjes in een schoenendoos’

Schrijver Harry Mulisch heeft dinsdag aan de Universiteit van Amsterdam een eredoctoraat aanvaard.

Harry Mulisch foto Maurice Boyer Harry Mulisch Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 061114 Boyer, Maurice

Zeergeleerde heer...

„Ja, zo kunt u mij nu noemen. Voor eredoctoren is er geen aparte aanspreektitel. Maar in het begeleidend schrijven staat dat bij het eredoctoraat alle rechten horen die aan de doctorstitel zijn verbonden. Dus ik ben doctor, alleen zonder gestudeerd te hebben. Het is een honoris causa.”

In uw dankwoord zei u dat wetenschapper had willen worden, het liefst moleculair biochemicus. Heeft het altijd aan u geknaagd dat u slechts schrijver werd?

„Nee, dat speelde toen ik vijftien, zestien was. Nadat ik ontdekte dat ik schrijver was, had ik dat verlangen niet meer. Ik krijg overigens vaak brieven van mensen die graag schrijver willen worden. Als je het wilt worden, ben je het kennelijk niet, denk ik dan.”

Maar biochemicus? Filosoof of historicus ligt meer voor de hand.

„Nee, ik wilde in de échte wetenschap. Ik wilde iemand worden als Watson, Crick en Wilkins die in 1962 de Nobelprijs kregen voor het ontrafelen van het DNA; een ontdekking die de wereld heeft veranderd. Ik heb met mijn roman De procedure een soort tegenbiografie geschreven; het leven van een biochemicus die een kunstmatige mens schept. Dat is het leven wat ik voor mij zag toen ik vijftien was.”

Heeft u altijd opgekeken tegen de wetenschappen?

„Zeker. En ik ben de bètawetenschappen altijd blijven volgen. Niet door het lezen van de oorspronkelijke wetenschappelijke artikelen, die zijn te moeilijk, maar ik lees graag de Scientific American. Dat is redelijk te volgen, hoewel nog altijd aardig ingewikkeld. Ik gebruik ook veel wetenschap in mijn boeken, zoals de archeologie in De ontdekking van de Hemel.

Moet de wetenschappelijke feitjes in uw romans ook werkelijk kloppen?

„Daar streef ik wel naar, ja. Maar mijn boeken hebben verder geen enkele wetenschappelijke pretentie. Aan de andere kant, in Siegfried ga ik er vanuit dat Adolf Hitler een zoon heeft. Dat kun je wegzetten als een verzinsel, maar het is heel goed mogelijk.”

Het vermoeden van Mulisch?

„Precies, in de wiskunde kan een vermoeden al genoeg zijn voor een Nobelprijs.’’

Lijken wetenschap en de letteren op elkaar?

„Natuurlijk. Bètawetenschappers zijn vaak zeer geïnteresseerd in de kunsten. Einstein speelde viool. Toen ze hem vroegen hoe hij op de relativiteitstheorie was gekomen, zei hij dat hij zich als twaalfjarige probeerde voor te stellen hoe het zou zijn om op een straal licht te zitten, en wat hij dan zou waarnemen. Die fantasie is voor de relativiteitstheorie belangrijker dan alle kennis en studie die erachter zit. Het verschil is: een wetenschappelijke ontdekking doen is vooral een verdienste, een succesrijke roman schrijven is vooral een kwestie van talent. Talent kan nooit een verdienste zijn. Een schilder die er prat op gaat dat hij talent heeft, leeft in een leugen.”

Komt het vaak voor dat een ongediplomeerd schrijver zoals u eredoctor wordt?

In Amsterdam is het zeer zeldzaam. De laatste schrijvers die hier eredoctoraten kregen, waren Lodewijk van Deijssel en Willem Kloos in 1935. Er was bij mijn plechtigheid een rector magnificus, die was wel vijf keer eredoctor. Hij zag er fantastisch uit, met al die versierselen.

Wat heeft u in uw leven nog meer gewonnen?

„Ik ben officier in de Orde van Oranje Nassau, commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, officier des Arts et des Lettres – eerst was ik gewoon chevalier, maar ik ben bevorderd – en ik heb het Bundeverdienstkreuz eerste klas.

Heeft u een prijzenkast?

Nee, de lintjes bewaar ik in een soort schoenendoos, de andere eerbetonen hangen thuis in een verborgen hoekje, dat alleen vrienden weten te vinden.”

    • Wilfred Takken