Ik als leuterkont slash lastermond

Micha Hamel Foto Vincent Mentzel Micha HAMEL,dichter,dirigent.foto VINCENT MENTZEL/NRCH.==F/C==,Vreeland,18 jan. 2005 Mentzel, Vincent

Micha Hamel: Luchtwortels. Augustus, 75 blz., € 17,90

In 2004 publiceerde Micha Hamel (1970) Alle enen opgeteld. Het was zijn debuut als dichter, maar in de muziekwereld gold hij toen al tien jaar als een talentvol componist en dirigent. Muzikaliteit was echter niet het opvallendste kenmerk van zijn poëzie, al had hij van meet af aan een volstrekt eigen stemgeluid en trok hij ook in zijn taalgebruik alle registers open. Opvallend was de exuberantie van zijn idioom. In fantasierijke vergelijkingen en uitbundige metaforen bestookte hij zijn lezers met een nu eens agressieve, dan weer hilarische taaldiarree. De lezer had geen andere uitweg dan doorlezen.

Alle enen opgeteld werd bekroond met de Van der Hoogt-prijs 2005. De jury had een vooruitziende blik, want ook Hamels tweede dichtbundel zal in het prijzencircuit hoog gaan scoren. Luchtwortels is van een nog aanstekelijker vitaliteit. Monomane monologen, schijngeleerdheid, rappe liedjes, bruut geflirt en anekdotes flitsen over de pagina’s. Het taalplezier spat er af, maar Hamel heeft ook pretenties – zij het met zelfspot. In het gedicht ‘Mysteries’ reageert hij op een van zijn critici en al doende formuleert hij een drieste poëtica. Na vijf nadrukkelijk onsamenhangende disticha oreert hij:

Linkmiegel Piet vond van mijn eerste bundel de afzonderlijke regels

beter dan de gedichten. Weinig geinig. Boven- staande opzettelijk

vernacheld om te onderzoeken of oudbakken interessanterigheid

meer prijsgeeft van het grote geheim dat poëzie is want qua te

volgen methode en inzetbare middelen blijft hedendaagse

kunst ook voor mij nog een hele zoekerij en gepiel hoewel

uitkomsten verrukkelijker kunnen zijn dan klaarkomen

tussen de volle borsten van een kastanjeroodgelokte fluitiste

in een door de neef van de maharadja cadeau gegeven hemelbed…

Het is zo draakstekerig geformuleerd dat het ironisch lijkt; maar wie dat denkt staat op het verkeerde been. Zeven regels verder toont Hamel zijn ‘ware’ ambitie:

en daar ik als l’art pour l’art leuterkont slash lastermond

zo onvoorstelbaar mijn best doe, valt mij de eer toe

het tijdperk van de ironie af te sluiten en het ksst-ksst

weg te jagen naar zijn gerechte plek op de tijdbalk.

Veel verzen in Luchtwortels zijn langer dan één pagina, en de pagina’s zijn groot en breed opgemaakt. In zijn lange gedichten gaat Hamel ook retorisch en inhoudelijk in de breedte. Observaties, herinneringen, associaties en overwegingen tuimelen langs. Hier wordt hardop gedacht, gelachen en gejeremieerd. Speels steeds, maar niet uitsluitend taalspelig.

Dat is anders in de korte, vaak ook smalle gedichten, die de bundel in evenwicht brengen. Veel van die korte verzen zijn louter taalspel. Soms baseert Hamel zich daarbij op bestaande dichtregels, zoals in ‘Meer’ op een regel uit ‘Adieu’ van Apollinaire. Waar hij op eigen stem te werk gaat lijkt er verwantschap met de poëzie van de Oostenrijker Jandl, en ook het Opperlands van Battus weerklinkt soms. Dat gebeurt bij voorbeeld in ‘www punt’, dat inzet met:

ween waas wimpers

wat walgt wie

winnen wou wanneer

wilden wetens welvaart

wamen wulpse wolven

wouden walsen wrakken

wurmen wippend wurgen

Na nog vier van zulke coupletten besluit deze w-sage met de slotregel: ‘willen wonder wel’.

Ook in andere gedichten sluit Hamel aan op de poëtische traditie. Niet alleen in de vorm, maar evenzeer thematisch, zoals in ‘Aanbidding van de maagd’ en ‘Eindelijk’. Daarin hanteert hij de adynaton, de stijlfiguur van de ‘verkeerde wereld’. In die wereld staat de hiërarchie op haar kop en wordt elk gebeuren omgekeerd gepresenteerd. In de moderne Nederlandse poëzie is de adynaton een zeldzaam verschijnsel. Een enkele dichter verwijst er soms naar, in een of meer terloopse regels. Als volgehouden metafoor vinden we de stijlfiguur in De os op de klokketoren (1982) van Gerrit Komrij en bij Jan Hanlo. In ‘Wij komen ter wereld’ beschreef Hanlo in 1946 het menselijk leven in omgekeerde richting, van het graf tot de wieg. Micha Hamel varieert daarop in ‘Aanbidding van de maagd’:

Sinds ik u ken groei ik alleen

maar jonger. Morgen word ik

vijf, lach om een scheet en drein

aan de zoom van uw kleed. Op mijn

jongste dag verdwijn ik in uw blonde

kruis. Ter kerke sterf ik uit.

Hamel stoeit met taal en traditie, en hij doet dat gedreven en overtuigend. Wie bezinning of bezonkenheid zoekt is bij hem niet aan het goede adres. Daarvoor lijkt zijn poëzie te veel op een kermisattractie. Net als in een zweefmolen maak je lezend in Luchtwortels kilometers zonder de afstand echt af te leggen. De titel belooft ook niet anders. Hamels gedichten wortelen niet in de aarde, maar in lucht.

    • Arie van den Berg