Iedereen achterlijk, behalve Shakespeare

Na een botsing met een fiets in 1936 stierf Karl Kraus, ‘de Weense een-mansguerrilla tegen huichelarij’. Een briefwisseling toont zijn romantische kant, een biografie de kracht van zijn schrijverschap.

Schaakspelers in een Weens café, afgebeeld op een ansichtkaart van de Wiener Werkstätte Illu. Ullstein Bild Wiener Caf‚: Die Schachspieler. Wiener Werkst„tte-Postkarte No. 531. Farblithographie. Um 1911. Wiener Werkstaette post card No. 531. Chess player. Coloured lithograph. Around 1911. Aufnahme: Moriz Jung ullstein - Imagno

Karl Kraus: Briefe an Sidonie Nadherny von Borutin, 1913-1936. Wallstein Verlag, 2 delen, 784 en 832 blz. €80,57.

Edward Timms: Karl Kraus, Apocalyptic Satirist. The Post-War Crisis and the Rise of the Swastika. Yale University Press, 640 blz. € 59,50

De Oostenrijkse schrijver Karl Kraus (1874-1936) vatte de Eerste Wereldoorlog heel persoonlijk op, als een belediging van zijn intelligentie, zijn gevoel en zijn menselijkheid. Bovendien was hij verliefd, smoorverliefd en wel op de baronesse Sidonie Nadherny von Borutin. ‘Oud en Nieuw met jou in Venetië is toch veel belangrijker dan de Wereldoorlog. Dat moeten de autoriteiten toch begrijpen’, schreef hij haar toen er moeilijk werd gedaan over een reispas naar Italië.

Kraus maakte haar op de klassieke manier het hof, met een bombardement aan brieven, een spervuur aan ansichtkaarten en een salvo aan telegrammen, dikwijls voorzien van allerhande bijlagen, krantenknipsels, recensies, gedichten, en zelfs dennentakjes. Maar daarbij vergat hij het belangrijkste niet: hij wilde heel erg met haar trouwen. ‘Ik mis jou en jij mist mij. Dus ..... ?’

Toen de brieven van Kraus aan haar in 1974 voor het eerst werden uitgegeven, baarden ze nogal opzien: was dat nou de gevreesde gesel van zijn tijdgenoten, de scherpe satiricus met het geslepen en uiterst slagvaardige schrijfinstrumentarium waarmee hij alles wat slap en slonzig was te lijf ging? Er werd zelfs gesproken van een Nieuwe Kraus, of beter nog De Nieuwe Kraus, een Kraus die ‘eigenlijk’ heel goedmoedig was en over een best wel zachte kant beschikte, die hij ook af en toe durfde te tonen. Het was dezelfde verbazing die interviewers of fans overviel als ze met trillende knietjes op bezoek gingen bij Schopenhauer of bij Willem Frederik Hermans, die ook zulke houwdegens met een gouden hart bleken te zijn, heel voorkomend, vriendelijk, en zelfs grappig. En ook lief voor dieren.

Uit de brieven, die nu in een prachtuitgave zijn heruitgebracht, komt Kraus naar voren als een onverbeterlijke, ridderlijke romanticus. Hij neemt zelfs paardrijlessen zodat hij ’s zomers met haar mee kan en zich niet ongerust hoeft te maken als zij te lang wegblijft. Hij noemt haar liefkozend Sidi, schrijft gedichten voor haar en bezoekt haar op haar voorouderlijk slot, zestig kilometer ten zuiden van Praag. Janowitz was ‘een eiland in een oceaan van waanzin’, waar hij verbleef om op adem te komen maar waar hij ook een aparte schrijfkamer had om een volgend nummer van zijn eenmansguerrilla, het tijdschrift Die Fackel te prepareren.

Maar donkere wolken pakten zich samen boven de idylle. Kraus gaf niet op en verscheen ook op onverwachte momenten in zijn Opeltje met chauffeur en dat was niet naar de zin van de tweelingbroer van Sidi, die ook Karl heette. Immers, Kraus was niet van adel, en het was een jood, al had hij zich dan in 1911 bekeerd tot het rooms-katholicisme. Ook de elegische dichter Rainer Maria Rilke, bevriend met de familie, waarschuwde Sidonie voor Kraus, en deed dat op bijzonder achterbakse wijze: hij zou altijd ‘vreemd’ voor haar blijven, wat in adellijke Weense kringen een sociaal geaccepteerde manier was om te zeggen: niet trouwen met dat joodje, daar krijg je last mee. In feite wilde ook Sidonie de liefde en het huwelijk strikt gescheiden houden, en zij hield de huwelijksboot af, ‘uit respect voor haar vader en haar broer’, kortom de familiebelangen en het adelsboek, de ‘Gotha’.

Net zoals mensen in het eerste jaar van hun samenzijn even vaak de liefde bedrijven als in de resterende tijd samen, zijn ook de brieven ongelijk verdeeld. Het grootste pak stamt uit de eerste jaren van hun verhouding, die ook de jaren van de Eerste Wereldoorlog zijn. Misschien kun je zelfs zeggen dat hun relatie parallel loopt aan de oorlog, en ook in termen van fronten, offensieven en tactische terugtrekkingen beschreven kan worden, waarbij Kraus de rol van de agressor op zich neemt.

Het werd een oorlog die hij verloor. Niet alleen omdat hij al getrouwd was, met zijn werk, namelijk Die Fackel, maar ook vanwege de tegenstand. Hij kreeg een tijdelijk huisverbod en was niet meer welkom op het slot. Ondertussen vocht Kraus ook nog een andere oorlog uit. Met de oorlog wel te verstaan en met alles wat riekte naar corruptie, machtsmisbruik, taalverslonzing en oorlogspropaganda.

Die Fackel was op 1 april 1899 begonnen als onregelmatig maar geregeld verschijnend tijdschrift ‘ter drooglegging van het uitgestrekte frasenmoeras’, met als zedelijk doel ‘het absurde daarheen te voeren waar het thuishoorde: ad absurdum.’ Het blad werd gretig gelezen. De eerste nummers haalden oplages van 30.000 exemplaren. Als er weer een nieuw nummer uitkwam kleurden alle boekenstalletjes in Wenen rood van de omslagen van het blad.

Eerst nam Kraus, als enig redacteur en verantwoordelijk uitgever, nog wel bijdragen van anderen op, maar na tien jaar en 300 nummers vond hij het beter om zijn strijd alleen voort te zetten. Dat deed hij met aforismen, taalkritiek en goed gedocumenteerde onthullingen van corruptie en leugenachtigheid, vooral bij journalisten, die zich maar al te vaak als verlengstuk van de machthebbers ontpopten.

Het bijzondere van de satire en de polemieken van Kraus lag in het feit dat hij zijn tegenstanders zoveel mogelijk zelf aan het woord liet. Hij citeerde ze letterlijk, zodat ze zichzelf belachelijk konden maken. Het was een uitvinding van Kraus zelf en een zeer effectieve methode die hij tot aan zijn dood bleef beoefenen. Als hij de Berlijnse journalist Alfred Kerr onder handen neemt, doet hij dat door hem uitgebreid te citeren, en zijn commentaar daarna te beginnen met de opmerking: ‘Dit is tot nu toe het krachtigste wat ik tegen de heer Kerr heb ondernomen.’

Deze methode werd geperfectioneerd in het docudrama De laatste dagen der mensheid, een honderden pagina’s en duizenden personages tellend toneelstuk dat door Edward Timms in het onlangs verschenen tweede deel van zijn monumentale en adembenemende biografie Karl Kraus, Apocalyptic Satirist wordt gekenschetst als ‘het laat erkende dramatische meesterwerk van de 20ste eeuw’. Het was ook de ‘grootste onderneming van zijn loopbaan’ waarin hij zijn satirische verontwaardiging over de onmenselijkheid van de oorlog kon paren aan zijn liefde voor het theater, die hij al heel vroeg had.

De Laatste Dagen is een apocalyptische allegorie die met montagetechnieken is samengesteld uit letterlijk gehoorde en gelezen citaten tijdens de Grote Oorlog. Kraus had als eerste door dat deze oorlog een mediaoorlog was, waarbij journalisten de opinies niet zozeer beschreven als wel maakten, compleet met ‘embedded journalists’ voor wie schermutselingen in scène werden gezet voor krantenberichten voor het thuisfront. ‘Oorlogen beginnen als diplomaten die liegen tegen journalisten en hun leugens later in de krant teruglezend gaan geloven.’ Het is een aforisme dat vandaag geschreven zou kunnen zijn en Timms wordt niet moe de parallellen met het heden te trekken, bijvoorbeeld door erop te wijzen hoe de Eerste Golfoorlog een mediaoorlog werd.

Op het uitbreken van de Grote Oorlog in augustus 1914 reageerde Kraus aanvankelijk met een jaar lang zo goed als stilzwijgen, bevangen als hij was door een soort schrijfverlamming. (Door een ruggegraatsverkromming werd hij overigens afgekeurd voor militaire dienst.) ‘De daad heeft nu het woord’, schrijft de polemist-pacifist in een speciale uitgave van de Fackel, waarin hij uitlegt waarom hij er het zwijgen toe doet. ‘In deze grote tijd, die ik nog gekend heb toen ze heel klein was...’ begint hij met de ironie der wanhoop, maar al snel beginnen de Fackels tegen de waanzin van de oorlog weer te verschijnen. Af en toe worden ze gecensureerd, en Kraus laat dan de witte plekken staan zodat de lezer in elk geval ziet dát er wat gecensureerd is.

In de bijna honderd ‘Kriegs-Fackel’ verzamelt Kraus materiaal dat hij tegelijkertijd in een dramatische vorm aan het gieten is voor De laatste dagen der mensheid. We komen daarin het café Westminster tegen, dat zijn Engelse naam van patriottische overheidswege moet veranderen in Westmünster (Laatste dagen, eerste bedrijf, achtste scène), en de soubrette die tijdens een voorstelling vol vaderlandslievend vuur een extra editie van een krant voorleest op de bühne over 40.000 Russische lijken aan het prikkeldraad en daar een ovationeel applaus voor krijgt (Laatste dagen, eerste bedrijf, 29ste scène).

Kraus werkt met contrasten: de gruwelen van de oorlog worden tegenover de onverwoestbare domme en optimistische menselijke natuur geplaatst. Alles belichaamt het inzicht van Kraus dat het voorstellingsvermogen het had afgelegd tegen de frase, tegen de journalistieke gemeenplaats, en hij waarschuwt: ‘Achter de melding Geen Nieuws gaan altijd wel een paar doorzeefde longen schuil.’ Het is geen wonder dat Kraus het ook opneemt voor de lastpaarden die grote moderne kanonnen door de modder naar het slagveld trokken tot het tuig diep in hun vlees was gesneden en de honden die voor de machinegeweren waren gespannen. Kraus droeg de dieren hoe dan ook een warm hart toe. In zijn brieven aan Sidonie laat hij de groeten overbrengen aan de honden, de paarden, de eenden en de ‘neutrale zwanen’.

Na de ondergang van de wereld ‘brak de vrede uit’, waarvan Kraus al voorspeld had dat die minstens zo erg als de oorlog zou worden. Oostenrijk werd overspoeld met vluchtelingen en verminkte soldaten; intussen zonnen de machthebbers alweer op een nieuwe oorlog. In 1919 voorzag Kraus dat het de joden waren die de schuld zouden krijgen van de nederlaag, van de ‘dolkstoot in de rug’. Dit is niet het enige inzicht van Kraus dat profetisch zou blijken. Voor Timms was Kraus een prototypische profeet, met dit verschil dat hij ook in zijn eigen woestijn niet gehoord werd. Kraus voorzag in 1899 al het einde van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie en in 1919 voorspelde hij dat het binnenkort mogelijk zou zijn om hele steden te verwoesten met één druk op de knop.

Wat Kraus nog het meest beangstigde was de anonimiteit van de mensen achter de vernietigingsmachines. Niet alleen waren het getrouwe ambtenaren bevelen uitvoerden, maar ook konden het simpele journalisten zijn die mediabrandjes aanwakkerden op grond van opzettelijk verkeerd doorgespeelde informatie van politici. ‘En zulke onzichtbare gezichten sturen miljoenen de dood in.’ Karl Kraus had ‘de banaliteit van het kwaad’ allang gezien voordat Hannah Arendt het moest gewaarworden in het gezicht van Eichmann tijdens diens proces in Jeruzalem in 1961.

De uitspraak die Kraus tot op de dag van vandaag wordt nagedragen is de zin waarmee hij in 1933 over de machtsovername door de nazi’s schreef: ‘Mir fällt über Hitler nichts ein.’ Over Hitler schiet me niets te binnen. Dit wordt wel uitgelegd als een lafhartig stilzwijgen in het zicht van de feiten, ‘en dat voor een grote polemist’. Maar niets is minder waar. Na deze woorden volgen nog meer dan 300 bladzijdes van de Dritte Walpurgisnacht, geheel gewijd aan de gruwelen waarmee de nationaal-socialisten Duitsland al tien jaar terroriseerden. Het boek bleef ongepubliceerd omdat Kraus vreesde voor het leven van medewerkers van hemin Duitsland, en omdat hij bang was dat zijn reactie ‘inadequaat’ was. Satire stond machteloos tegenover geweld. Kraus had het al dertig jaar gemunt op schijnmoraal en huichelarij, en dat waren niet de dingen waar je de nazi’s van kon beschuldigen. Toen Hitler in 1922 zei ‘Wij komen de liefde voor het vaderland erin rammen’, kon je hem op zijn woord geloven.

Toen Kraus de berichten over de gebeurtenissen in nazi-Duitsland onder ogen kreeg, trok hij wit weg, de aderen op zijn voorhoofd zwollen op en hij keek met een blik vol verbijstering en ongeloof naar de krant. Volgens Timms is Kraus er aan onderdoor gegaan.

In 1936 wordt hij aangereden door een fiets. Kort daarop stierf hij aan een hartaanval. De deportatie van zijn familieleden, direct na de Anschluss, in 1938, heeft hij niet meer hoeven meemaken. Zijn laatste brief was voor Sidonie, met wie hij eerder nog een soort zelfmoordpact had besproken.‘De imbeciliteit van de wereld maakt iedere arbeid – behalve aan Shakespeare – onmogelijk.’

    • Erik Bindervoet
    • Robbert-Jan Henkes