Generaal, hoe gaat het met uw leger?

Op zijn laatste dag in Kosovo gaat Arnon Grunberg naar de Amerikaanse legerbasis Bondsteel waar het nieuwe leger van Kosovo onder Amerikaanse leiding oefent. Daar ontdekt hij een geheimzinnige gevangenis.

V.l.n.r. een onbekende Amerikaanse militair, generaal Vishi van het KPC en kapitein Schmidt foto Arnon Grunberg Grunberg, Arnon

Camp Bondsteel in het zuiden van Kosovo is de grootste Amerikaanse legerbasis in Europa. Volgens sommige Albanezen zit er uranium in de heuvel waarop Bondsteel is gevestigd. Dat lijkt me een samenzweringstheorie.

Volgens anderen is Bondsteel opgericht om een toekomstige pijpleiding die gas naar Europa zal transporteren te beschermen. Vermoedelijk ook een samenzweringstheorie.

Op de laatste dag van mijn verblijf in Kosovo neem ik een taxi van Pristina naar Bondsteel.

Na een reeks van telefoontjes en officiële verzoeken die volgens de Amerikanen via het NAVO-hoofdkwartier in Brussel moeten lopen, bericht majoor Paul Pecena mij dat hij mij maandagochtend bij de poort van Bondsteel zal opwachten.

De Albanese taxichauffeur weigert mij tot de poort te rijden. Het laatste stuk moet ik lopen.

De ingang is goed bewaakt. Ook hier heeft de zelfmoordterrorist het niet makkelijk.

Na een paarhonderd meter zie ik een bord: ‘KFOR-personnel’ met een pijl naar links. Ik hoor niet tot de Kosovo Force. Dus ik loop door.

Ik hoor geschreeuw. Pas als ik een soldaat zie die zijn geweer op mij richt, begrijp ik dat het geschreeuw voor mij bestemd is.

Voor zover ik kan nagaan zou de kogel mij in het gezicht treffen. Maar ik heb weinig verstand van geweren en de zon schijnt in mijn ogen. Ik kan me niet voorstellen dat het zo zal eindigen, het leven.

Snel ga ik naar links, hoewel ik er nog steeds van overtuigd ben dat ik officieel niet bij KFOR hoor.

Met een paar Albanese

gastarbeiders kom ik terecht in een barak waar wij als het betere slachtvee aan controles worden onderworpen. Fototoestel en telefoon worden tijdelijk in beslag genomen.

Als er eindelijk iemand verschijnt is het niet majoor Pecena maar stafsergeant Khramer, een nog jongeman die zich bezighoudt met public relations in het leger.

„We hebben nog altijd geen toestemming vanuit Brussel gehad om je het kamp in te laten”, zegt Khramer, „maar ik kan je iets buiten het kamp laten zien”.

„Uitstekend”, zeg ik, want ik ben zeer tevreden dat ik nog leef.

Een nog jongere militair dan Khramer rijdt mij samen met de staff sergeant naar een basis in de buurt van het stadje Vitina.

Daar oefent het KPC met het Amerikaanse leger. Het KPC is de nieuwe naam van de KLA (Kosovo Liberation Army) nadat dit leger officieel ontwapend is.

Kapitein Schmidt van het Amerikaans leger, een gezette maar vriendelijke man uit Texas, wil me voorstellen aan een generaal van de KPC.

Wij gaan het gebouw van de KPC binnen.

In een ruimte met een bureau en enkele stoelen zit de generaal onder een vlag van Kosovo. A. Vishi heet de generaal.

Hij praat tot mij via een mannelijke tolk die als enige geen koffie wil omdat het ramadan is.

„Je moet niets over het verleden vragen”, zegt kapitein Schmidt. „Dat ligt een beetje gevoelig.”

„Oké”, zeg ik.

„Je kunt ook beter niets over de toekomst vragen”, zegt kapitein Schmidt. „Want dat ligt ook gevoelig.”

Het heden blijkt het allergevoeligst te liggen. Als de generaal begrijpt dat ik wel eens voor een krant schrijf begint hij zenuwachtig te bellen en hij verklaart dat alles wat hij zegt officieel genotuleerd moet worden.

De generaal lijkt mij doodsbang voor de Amerikanen en de Amerikanen lijken mij ook doodsbang, maar ik heb geen idee voor wie. Ik ben eigenlijk ook wel een beetje bevreesd dat dit uit de hand kan lopen. Alleen de tolk is niet bang.

Een mevrouw komt binnen

met een pen en een bloknoot. Zij gaat notuleren. Ze kijkt alsof ze al drie weken geconstipeerd is. Ik begin het pijnlijk te vinden. Waar hebben we het over? Een stukje in het Cultureel Supplement.

Het gezelschap kijkt vol verwachting naar mij.

„Generaal, hoe gaat het met uw leger?” vraag ik.

Van alle vragen lijkt me dit de minst gevoelige.

Maar de generaal geeft geen antwoord. Hij pakt de telefoon en begint te telefoneren.

„Het woord ‘leger’ ligt een beetje gevoelig”, zegt kapitein Schmidt.

Ik knik begripvol.

Na drie telefoontjes is de generaal bereid iets te zeggen: „Er zitten ook Serviërs in de KPC. Wij willen vrede en veiligheid voor allen.”

Daarna staat de generaal op. Ik begrijp dat het vragenuurtje is afgelopen. „No time”, roept hij voor het eerst direct in het Engels. „Busy, very busy.”

Ook kapitein Schmidt staat op. Ik heb de indruk dat hij zich schaamt. Maar waarvoor?

Wat ik net heb meegemaakt is beter dan de meeste oorlogsfilms die ik heb gezien.

Buiten probeert de kapitein zijn imago op te poetsen.

„Korporaal”, roept hij naar een zeer jonge man, een soort van middelbare scholier. „Wat is er zaterdagavond in dit dorp gebeurd?”

‘Er ontplofte een granaat, kapitein. Maar er vielen geen gewonden.’

Kapitein Schmidt wendt zich tot mij: „Er gebeurt wel eens wat zoals je merkt. We moedigen de demonstraties niet aan, we ontmoedigen ze ook niet maar als het gewelddadig wordt grijpen we in. Het hoort bij een democratische traditie.”

Khramer komt op mij afgelopen. Het NAVO-hoofdkwartier heeft eindelijk toestemming gegeven voor mijn bezoek aan Bondsteel. Snel word ik in een jeep gehesen en teruggereden naar het kamp.

„Wat doe je hier precies?” vraag ik.

„Ik maak televisie voor militairen. Het is ook op internet te zien”, zegt Khramer.

„En verder?”

„We baseballen veel.”

Bondsteel lijkt mij in vergelijking met de basis in Kandahar, Afghanistan, een wonder van vrede en veiligheid. Al is er omdat er geen Canadezen gestationeerd zijn geen winkeltje met lekkere donuts. Ze moeten het met een Burger King doen.

Middenin Bondsteel rijst een zwaarbeveiligd bouwsel op. Vanuit de verte zou je aan een verbrandingsoven met prikkeldraad eromheen kunnen denken, maar van dichtbij ziet het uit als een gevangenis voor zeer gevaarlijke mensen.

„Wat is dat?” vraag ik.

„Een holding facility”, zegt Khramer.

Een gevangenis dus.

„En wie zitten daar?” informeer ik.

„Geen idee”, zegt Khramer.

Het vermoeden lijkt me gerechtvaardigd dat Bondsteel gebruikt is en misschien gebruikt wordt om tijdelijk zeer gevaarlijke mensen in op te sluiten die verder niets met de officiële missie van KFOR te maken hebben. Maar een ding is me langzamerhand duidelijk: de echte oorlog en de officiële missie hebben net zoveel met elkaar te maken als een hoer met een maagd.

Ik neem afscheid van Khramer en Kosovo en reis naar Montegero om te doen wat ik aanvankelijk hier kwam doen.

Investeren in de wijnbouw. Ik wil de wereld een wijn nalaten die Grunberg heet.

(wordt vervolgd)

    • Arnon Grunberg