En toen was Leiden verdwenen

Als er een ramp plaatsvindt, tast de Nederlandse bevolking graag in de buidel, zie de tsunami van eind 2004. De basis voor deze traditie werd gelegd tijdens de nasleep van de catastrofe die vandaag precies 200 jaar geleden de stad Leiden trof.

In de ochtend van maandag 12 januari 1807 had schipper Adam van Schie zijn schuit aan het eind van het Rapenburg afgemeerd. In het ruim bevond zich 37.000 pond buskruit. Wat er misging weet niemand, maar om kwart over vier explodeerde het schip met een knal die tot in Groningen te horen was. In één klap was een groot gedeelte van de historische binnenstad van Leiden van de aardbodem verdwenen. Ongeveer 160 mensen stierven, zo’n 2000 raakten er gewond.

Zowel armen als professoren waren het slachtoffer. De dichter R. Arntzenius, die zelf een kind verloor, weeklaagde: Thans even arm! en even rijk/ En naakt, als bij uw komst in het leven/ Zijt ge in ’t geen u is bij-gebleven/ Als scheps’len Gods, elkaêr gelijk.

Koning Lodewijk Napoleon bezocht al snel na de ramp de stad en „bergt met eigen hand haar zuigling van de dood”, aldus Bilderdijk. Lodewijk stelde gedeeltes van Huis ten Bosch beschikbaar voor de opvang van daklozen. De nationale inzamelingsactie voor de slachtoffers die hij uitriep was een enorm succes: er werd bijna twee miljoen gulden opgehaald.

De Nederlandse bevolking liet zich ook van zijn minder mooie kant zien. Het gebied moest worden afgesloten, omdat ramptoeristen reddingswerkers voor de voeten liepen en het eten consumeerden dat voor de slachtoffers was aangevoerd.

Bart Funnekotter

    • Bart Funnekotter