En nu op naar de derde golf!

Vergeleken met een kwestie als eerwraak, is de vraag wie de afwas doet gezeur. Wat vrouwen – allochtoon en autochtoon – niettemin delen, is de achterstelling, die het gevolg is van de gescheiden leefwerelden van mannen en vrouwen.

Dirk Verhofstadt: De derde feministische golf. Houtekiet, 238 blz. € 19,95

Christien Brinkgreve en Egbert te Velde: Wie wil er nog moeder worden?Augustus, 270 blz. € 18,90

Tine de Moor en Jan Luyten van Zanden: Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa.Boom, 123 blz. geïll., € 18,50

Hoe gaat het eigenlijk met het Nederlandse feminisme? Goed, als we het afmeten aan de mate van media-aandacht afgelopen herfst voor het 25-jarig jubileum van Opzij-hoofdredacteur Cisca Dresselhuys. Cover-stories, interviews – het hield niet op. Als dan ook nog bij het jubileumfeest een ex-minister (Donner) een geestige speech houdt en de zaal vol zit met captains of industry, politici en burgemeesters die zich in dit tijdschrift hebben laten interviewen – tja, dan moet dit wel een superfeministisch landje wezen!

Het beeld wordt heel wat minder florissant als we kijken naar de harde feiten. Net 40 procent van de vrouwen is economisch zelfstandig, wat betekent dat ze tenminste op bijstandsniveau kunnen verdienen. Een vrouwelijke minister-president zit er ook deze kabinetsperiode niet in. Van de hoogleraren is 9 procent vrouw, van de commissarissen in bedrijven 4 procent, van de topambtenaren 10 procent. Deze cijfers zijn zo beschamend, dat zelfs de grande dame van het Nederlandse liberalisme, eurocommissaris Neelie Kroes, inmiddels verplichte quota voor vrouwen in de top van bedrijven en instellingen bepleit.

De werkelijkheid van het Nederlandse feminisme blijkt ook weinig rooskleurig als we de positie van, en het debat over, allochtone vrouwen en met name moslima’s in aanmerking nemen. Opzij (en ook ikzelf in mijn column in het blad) steunde de kritische standpunten van Ayaan Hirsi Ali en andere (ex-)moslima’s. Dat is het tijdschrift vaak kwalijk genomen. Zelfs sommige feministen laten tegenwoordig vrouwvijandige praktijken liever voortbestaan dan een godsdienst of cultuur te kritiseren. Het is een veeg teken dat het een Belgisch auteur moet zijn die aan de hand van zes fraaie interviews met vijf Nederlandse en één Canadese allochtone schrijfster oproept tot een door (ex-)moslima’s gedragen derde feministische golf. Of het nu gaat om eerwraak (in Nederland tientallen gevallen per jaar) of om de sluier, Dirk Verhofstadt (inderdaad, een broer van de Belgische premier) heeft er in De derde feministische golf geen moeite mee om in een overtuigend liberaal betoog, dat steunt op de idealen van de mensenrechten, de misogynie ervan te benoemen.

Zijn ergernis over tweede-golffeministen die het, nu het om allochtone vrouwen gaat, onder het mom van diversiteit laten afweten, terwijl zij indertijd wel streden voor hun eigen recht om te worden gezien als individu in plaats van als sekse, wordt gedeeld door de Nederlands-Egyptische tolk Nahed Selim, een van de vrouwen met wie Verhofstadt sprak. Selim, die vorige maand de Harriët Freezerring kreeg uitgereikt, ondervond als gelovige moslima aan den lijve hoe haar religie veranderde. Mocht ze als kind in Egypte nog zwemmen, plotseling verboden religieuze oekazes het lopen in badpak. Zo ging het van kwaad tot erger. Selim gruwt dan ook van hoofddoeken, omdat die uitdrukken dat het vrouwenlichaam een te bedekken schande is. Voor alle geïnterviewden zijn individualisme en recht op zelfbeschikking belangrijke waarden, die ze trachten te veroveren op, of te incorporeren in hun geloof.

Vrijheid en zelfbeschikking staan haaks op de patriarchale macht van mannen, waarin vrouwen en dochters als familiebezit worden uitgewisseld: door de ene man (de vader) aan de volgende (de echtgenoot en zijn familie). Tot bruidverbrandingen heeft dat in Nederland nog niet geleid, tot moord wel. Vergeleken hiermee is het eerlijk delen van de afwas gezeur. Wat niettemin de belangen van vrouwen, allochtoon dan wel autochtoon, verbindt, is dat hun achterstelling te maken heeft met naar sekse gescheiden levenssferen. In zijn extreemste, meest geseksualiseerde vorm houdt die segregatie in dat mannen en vrouwen niet in één ruimte samen mogen zijn; afgezwakt, maar desalniettemin zeer beperkend, gaat men uit van specifiek ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ taken, domeinen en eigenschappen.

Het feminisme is een paradox: het baseert zich op het beginsel (sekse) dat het wil afschaffen. Men organiseert zich als vrouwen, terwijl de bedoeling is dat die categorisering betekenisloos wordt. Het idee van een ‘vrouwenrol’, waartegen de ‘tweede golf’ van het feminisme zich vanaf de jaren zestig te weer stelde, is een product van de ideologie van de ‘gescheiden sferen’, die uit het Europa van het eind van de 18de eeuw stamt. Die ideologie propageerde een aparte vrouwensfeer met een bijbehorend vrouwelijk karakter en kundigheden. Vrouwen konden door hun te geringe hersengewicht niet zo goed denken, maar gevoelig en zorgzaam waren ze des te meer. Ze waren voorbestemd voor een huiselijk bestaan en vonden hun vervulling in het moederschap. Van werk, geld, geleerdheid en politiek werden ze omwille van dat kostelijk kleinood, hun ‘vrouwelijkheid’, uitgesloten.

Met de restanten van dit erfstuk worstelen wij nog steeds. Het burgerlijke ideaal van een vrouw die door in ledigheid thuis te zitten tegelijk het bewijs vormde van haar vrouwelijkheid en haar mans mannelijkheid, heeft zich over alle sociale lagen verspreid en bereikte een hoogtepunt na de Tweede Wereldoorlog, toen opvattingen over de voorgeschreven sekse-identiteiten en opvoeding werden vastgelegd in talloze overheidsregelingen, of het nu belastingen betrof of school- en winkeltijden. Toen Cisca Dresselhuys in 1992 samen met journaliste Marja Vuijsje begon met haar veelbesproken ‘meetlat’-interviews, die nu opnieuw zijn gebundeld in een boek, was het beeld van de vader die ’s zondags het vlees komt snijden en de rest van de week zowel fysiek als emotioneel afwezig is, nog tamelijk werkelijkheidsgetrouw. Het werd dan ook een speerpunt van het Nederlandse feminisme en een impliciete meetlat-maat, dat mannen en vrouwen de zorg voor huishouden en eventuele kinderen samen zouden delen. Het recht op deeltijdwerk voor mannen en vrouwen werd een actiepunt. Maar wat blijkt? Nederlandse mannen gingen inderdaad minder werken, maar besteden die gewonnen vrije tijd aan sport en hobby’s.

Moeten we het streven zorg en werk te delen dan maar laten schieten? Als het aan gynaecoloog Egbert te Velde en socioloog Christien Brinkgreve ligt wel. Zij bepleiten in Wie wil nog moeder worden? dat vrouwen het beste jong kinderen kunnen krijgen en daar een tijdlang fulltime voor zorgen, liefst op kosten van de samenleving. Brinkgreve en Te Velde concluderen uit de langzame voortgang van het gezamenlijk zorgen simpelweg dat de seksen nu eenmaal wezenlijk verschillen. Mannen kunnen niet zorgen, vrouwen blijven graag thuis; economische zelfstandigheid is een verkeerd doel. Nogal ontmoedigend voor al die moderne vaders, en dat zijn er toch heel wat, die wél met veel plezier voor hun kinderen zorgen. Bovendien ook erg vervelend voor vrouwen die zichzelf niet (louter) als moeder definiëren.

Te Velde en Brinkgreve blijven de gevangene van een historisch product: de ideologie der gescheiden sferen, en er klinkt in het boekje een grondtoon door van verongelijktheid en slachtoffer-denken. Bij hen zijn vrouwen weer vanzelfsprekend moeder en zijn ze dat niet, dan komt dat door het feminisme dat hun een teveel aan keuzes heeft opgedrongen. Daardoor wordt zwangerschap te lang uitgesteld en lukt het vaak niet meer. Maar anders dan de auteurs beweren, betroffen de feministische successen juist vaak het moederschap: deeltijdwerk, zorgverlof, kinderopvang. Haast niemand durft nog kinderen tot een individuele zaak en de kinderbijslag tot een achterlijke subsidie te verklaren.

Mij lijkt het advies van Te Velde en Brinkgreve voor iedereen terug naar af, en voor jonge moslima’s zelfs desastreus. Voor hen is het juist zo’n bevrijding dat er andere zinvolle levens mogelijk blijken te zijn dan trouwen of kinderen krijgen. Niet voor niets scheldt een beruchte Haagse imam Ayaan Hirsi Ali consequent uit voor ‘de onvruchtbare’. Denken is in zijn mentale wereld geen zinvolle activiteit. Mijn conclusie na dik dertig jaar tweede-golf-feminisme, is dan ook de omgekeerde van Brinkgreve en Te Velde. Vrouwen zouden zich serieuzer moeten richten op hun eigen werk en daarmee niet moeten blijven wachten tot het gelukt is mannen collectief te veranderen. Het delen van zorg als beleidsprioriteit houdt vrouwen af van hun werk en lijkt me in allochtone kring al helemaal een kwestie van zeer lange adem. Het zou ook helpen als Nederlandse vrouwen minder preuts werden in het uitbesteden van huishoudelijk werk en zichzelf en elkaar er niet op aankeken als ze het zich gemakkelijk maken met kant en klaar eten. Of als ze geen kinderen kregen met mannen die daar niet voor willen zorgen.

De wens tot individualisering en zelfbeschikkingsrecht die de moslima’s in het boek van Verhofstadt formuleren, blijkt niet alleen in hun eigen belang. In een mooi, verfijnd boekje suggereren de Utrechtse historici Tine de Moor en Jan Luiten van Zanden een causaal verband tussen westerse modernisering en welvaart, en het feit dat huwelijken bij ons al eeuwen lang worden gesloten uit liefde en niet via uithuwelijking door een pater familias. Doordat mensen in Noordwest-Europa, zo betogen de historici in Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa, sinds de late Middeleeuwen (ergens tussen 1200 en 1500) steeds later én met een partner van eigen keuze trouwden, en bovendien een eigen huishouden begonnen in plaats van in te trekken bij de ouders van de man, loonde het om in de opleiding van meisjes te investeren. Ouders moesten gaan sparen voor hun oude dag, want het nageslacht bleef niet meer thuis. Dat betekende kapitaalvorming.

Bij culturen waar meisjes worden uitgehuwelijkt komen zij alleen ten voordele van de schoonfamilie. Het feit dat mensen op grote schaal werkten als loonarbeiders op een markt en er bovendien velen ongetrouwd bleven, stimuleerde dat men moeite deed om de eigen kwaliteit als arbeidskracht te verhogen. Doordat er steeds nieuwe gezinnen worden gevormd is het ‘moderne huwelijkspatroon’ gericht op de toekomst in plaats van op verleden, familie en traditie. De auteurs verluchtigen hun model met grappige empirische criteria, zoals de girlpowerindex. De meisjesmacht wordt berekend door van de gemiddelde huwelijksleeftijd van de vrouw het aantal jaren dat een man ouder is, af te trekken. Dus bijvoorbeeld 25 min 2 = 23, maar 20 min 8 = 12. Hoe hoger het getal, hoe sterker in een samenleving de echtelijke positie van vrouwen.

Al gaat hun boekje daar niet direct over, De Moor en Luiten van Zanden schreven hun essay tegen de achtergrond van het hedendaagse debat over vrouwen en de islam. Op de vraag hoe het komt dat de relatief gunstige positie van vrouwen in het laat-middeleeuwse Nederland in latere tijden verloren is gegaan, gaan de auteurs niet echt in. Daar wreekt zich wellicht hun economisch determinisme, dat betekenisgeving en psychologie buiten het historisch proces plaatst. Vanaf de 16de eeuw werd de positie van de vrouwen in toenemende mate door kerk en staat ondermijnd. Het moderne staatsvormingsproces bevorderde een zekere terugkeer van de patriarchale macht.

De overgang van de middeleeuwse maatschappelijke organisatie naar de latere separate spheres lijkt me een mooi onderwerp voor een vervolgonderzoek. Maar dat de gelijkheid der seksen wordt bevorderd door vrije partnerkeuze en vrij deelnemen aan de arbeidsmarkt, wat het vrouwen ook mogelijk maakt alleen door het leven te gaan, maken ze overtuigend duidelijk.

Cisca Dresselhuys: De maat genomen. Topmannen langs de feministische meetlat. Archipel, 358 blz. € 16,95

    • Jolande Withuis