Dobberen in twijfel

Paul Kooiker fotografeerde dikke vrouwen bewust extra lelijk. Maar ze fascineren wel en je blijft ernaar kijken.

‘Zonder titel’, uit de serie ‘Paradise Twenty-One’, 2006 foto Paul Kooiker/ Van Zoetendaal Collections dikke vrouwen Kooiker, Paul

Hoe moeilijk is het om een lelijke foto te maken? Het lijkt een vreemde vraag, maar wie de tentoonstelling bezoekt van Paul Kooiker in het Foam in Amsterdam gaat daar onvermijdelijk over nadenken. De expositie opent met twee series, Showground en Model Studies. Beide zijn tamelijk weerzinwekkend, maar niet op de manier die we tegenwoordig van foto’s gewend zijn. Geen flarden van een gebombardeerd lichaam van een kind, of de blik van een stervende dictator, strop om zijn nek. Nee, Kooiker toont alleen maar vrouwen bij wie het vet om het lichaam gulpt.

Dat is al confronterend, maar Kooiker gaat verder: hij fotografeert ze bewust extra lelijk. Zijn licht is onflatteus, de afdruk grofkorrelig en hij negeert alles wat deze vrouwen nog menselijk zou maken – hun gezichten en gelaatsuitdrukkingen. Wel drapeert hij hun lichamen over tafels zodat hij ze vast kan leggen als hompen vlees in een slagersvitrine. De beste foto, uit de reeks Chantal, toont zo’n lichaam liggend op een tafel, de benen als kolossen over de rand bungelend, het lijf ligt als een stilleven van vet op het blad, het hoofd buiten beeld, recht van voren gefotografeerd. Je kijkt ernaar, denkt aan Francis Bacon en aan Rembrandts anatomische lessen en constateert dat dit een vreselijke foto is. Je blijft er wel naar kijken.

Maar daarmee is de vraag niet beantwoord wat een fotograaf drijft om zulke lelijke foto’s te maken. Dat is extra interessant in een tijd waarin de fotografie zich steeds nadrukkelijker ontwikkelt tot het medium dat de toeschouwer wil behagen, de middle-of-the-road-kunstvorm pur sang. Die middelmatigheid hangt ongetwijfeld samen met de excessieve groei in populariteit die de fotografie in korte tijd heeft doorgemaakt en de financiële consequenties die dat met zich meebracht. Zelden zal een investering zo in waarde zijn gestegen als die van de verzamelaar die tien jaar geleden een goede Gursky, Struth of Horsfield kocht. Dat wil iedereen nu wel en dus zoeken musea, galeries en verzamelaars steeds fanatieker naar nieuw talent. Hun fanatisme is zo groot geworden dat er bij het beoordelen van fotografie een sterk middelpuntvliedende kracht optreedt – want in het midden zit de massa en de massa heeft het geld.

Daarmee is, overigens, de fotografie de eerste ‘nieuwe’ kunstvorm die zich niet ontwikkelt via avant-gardes en inhoud, maar door het dictaat van de markt. Gevolg daarvan is dat fotografie bij uitstek het medium is geworden dat risico’s mijdt en waar je serieuze experimenten met vorm, stijl en inhoud met een lampje moet zoeken. Laat staan dat iemand het waagt artistieke merites te formuleren of een inhoudelijke discussie te beginnen. De karavaan trekt verder en straks mis je als museum of verzamelaar de nieuwe Dijkstra, Ruff of Struth.

Alleen al om die reden is Kooikers tentoonstelling in het Foam dus prikkelend, want Kooiker (1964) wenst weinig met deze mechanismen te maken te hebben. Sterker nog: hij gooit zijn kont tegen de krib door de twee mechanismen op te zoeken die fotografen door de jaren heen hebben gebruikt om het esthetische cordon sanitaire te doorbreken. De eerste van die methodes is het opzichtig breken met de modern-klassieke wetten van compositie, kadrering en belichting; de tweede is door als fotograaf te laten zien in hoeverre je aanwezigheid het beeld beïnvloedt.

Nu komt die eerste methode

vrij vaak voor, onconventionele kadrering en grove belichting zijn min of meer de vaste kenmerken geworden van iedere fotograaf die zich in de rijen der kunstenaars wil scharen. De tweede echter raakt aan een klein taboe: veel fotografen suggereren graag dat de werkelijkheid op hun foto’s absoluut is. Dat is het fictie-element in de fotografie: foto’s doen net alsof de gebeurtenis die de toeschouwer ziet ook zo had plaatsgevonden als de fotograaf er niet was geweest, dat die werkelijkheid niet is beïnvloed door de fotograaf met z’n lijf en z’n camera’s en tassen en lenzen en reflectieschermen. Verreweg de meeste fotografen houden die fictie in stand: het geeft hun werk een aura van objectiviteit en onaantastbaarheid.

Het intrigerende aan de foto’s van Kooiker is nu juist dat hij die verstoringsmechanismen nadrukkelijk toont. Hoe hij dat doet is het mooist te zien in zijn serie Untitled (plassende vrouwen in het bos) uit 1996, waarmee Kooiker dat jaar de Prix de Rome voor fotografie won. De serie bestaat uit 36 kleurenfoto’s van een boslandschap – schijnbaar haastig genomen, onscherp, vol beweging en overlopende groentinten die actie en snelheid suggereren. Door die vaagheid zijn veel details slecht zichtbaar en is het moeilijk om te zien wat er precies gebeurt. Tot je na enig speuren ontdekt dat er ergens, achter wat struiken, een vrouw op haar hurken zit met haar billen bloot – ze zit te plassen. En als je er een hebt gezien, zie er steeds meer, op de 36 foto’s zo een stuk of zes. En dan begint de twijfel: is dit door Kooiker zorgvuldig gecomponeerde fictie die commentaar geeft op de rol van de fotograaf als ‘beeldenjager’? Of heeft hij zich werkelijk in de gênante situatie gemanoeuvreerd van de man (gekleed in lange groene jas ongetwijfeld) die weken door het bos struinde met een telelens op zijn borst? Worden we als toeschouwers de medeplichtige van een voyeur?

Het prettige aan Kooikers werk

is dat hij nauwelijks antwoord geeft op al deze vragen. Met enige wellust laat hij de toeschouwer dobberen in de twijfel, zowel op de tentoonstelling in het Foam als in de kleine boekjes die hij samen met zijn galeriehouder Willem van Zoetendaal van zijn series uitgeeft. En juist omdat die twijfel zo duidelijk belangrijk is voor Kooiker, lijkt het ook onderdeel van een inhoudelijk statement. Tegelijk legt dit gebrek aan openheid ook een serieus nadeel van Kooikers werkwijze bloot. Zijn fascinatie voor voyeurisme en de rol van de kijker is zo fanatiek en wordt zo consequent doorgevoerd dat hij je als toeschouwer bijna dwingt om hem te identificeren met de klassieke vieze man die meisjes naar zijn studio lokt om aan zijn eigen gerief te komen. Kooiker speelt zijn rol goed – misschien wel té goed. Want door zijn fictie zo ver door te voeren manoeuvreert hij zijn toeschouwers in de rol van medeplichtigen – je wordt vanzelf een gluurder. Dat is voor weinig mensen een prettig idee; mogelijk komt Kooikers relatief geringe populariteit omdat hij voor veel mensen de brenger van het slechte nieuws is.

Om die reden is het wel begrijpelijk dat Kooiker nu zijn horizon aan het verbreden is. Vanaf morgen is bij Galerie Van Zoetendaal in Amsterdam de nieuwe serie Political Chaos te zien die Kooiker maakte tijdens een verblijf in de kustplaats Xiamen in China. Op deze foto’s is geen vrouw te bekennen, al wordt er nog wel stevig ‘gegluurd’ en gespeeld met fotografieconventies. In Political Chaos zien we allemaal mannen, duidelijk van Aziatische afkomst, die in hun eentje in de zee zwemmen. Land is er nauwelijks te bekennen, waardoor de mannen er verloren uitzien, wat wordt versterkt doordat Kooiker iedere foto van een rond, zwart kader heeft voorzien alsof hij de mannen heeft gespot door een telescoop of een verrekijker. Vooral door dat kader speelt de twijfel meteen weer op: meteen krijg je als toeschouwer het gevoel naar bedreigde vluchtelingen te kijken – het kader fungeert dan als de randen van een vizier. Toch meldt Van Zoetendaals persbericht dat het ‘gewoon’ zwemmende Chinezen zijn die de verlorenheid van het individu in het nieuwe China verbeelden. Die verklaring is nogal onbevredigend, alsof Kooiker en zijn galeriehouder hebben besloten ook maar eens zo’n rondje maatschappijbetrokken journalistiek te gaan bedrijven waar zijn collega’s zoveel succes mee hebben. Gelukkig is het Kooiker toch niet gelukt de kunstenaar in zichzelf helemaal te beteugelen. Hoe anders Political Chaos ook is dan zijn andere series, de conclusie is hetzelfde: zowel voor fotografen als hun toeschouwers is het moeilijk de voyeur in zichzelf in toom te houden. Dat mag nog zo waar zijn, populair word je er niet mee.

Paul Kooiker: Paradise Twenty-One. T/m 11 februari in Foam, Keizersgracht 609 Amsterdam. Dag. 10-17u, do. en vr. tot 21u. Inl. www.foam.n Political Chaos. T/m 18 februari in Galerie Van Zoetendaal, Keizersgracht 488, Amsterdam. Woe t/m za. 13-18u. www.vanzoetendaal.nl

    • Hans den Hartog Jager