De weidse kloof tussen twee ‘ikken’

In ‘De helaasheid der dingen’ brengt Dimitri Verhulst met verfijnd taalgebruik verslag uit over de stompzinnigheid van het leven.

‘Een onooglijke negorij van duivensport en motregen’, dat is het dorp waar De helaasheid der dingen zich afspeelt. Een typisch Vlaams gehucht moet het zijn, waar alleen de cafés een teken van leven vertonen, zonder overigens op enige gezelligheid te kunnen bogen. In een dergelijk dorp, of liever gezegd in zulke cafés, groeit de verteller op onder de hoede van zijn immer dronken vader. Tegelijk met het bier wordt hem daar de lust voor sterke verhalen ingegoten.

Want een sterk verhaal is het, over dit kind dat opgroeit tussen zijn alcoholistische, werkloze familieleden. Verhulst is onnavolgbaar in het beschrijven van ranzigheid. Er bestonden al een stuk of wat schrijvers die het leven in de ‘Vlaamse modder’ beschreven, maar hier is het nog veel erger. In het dorp Reetverdegem zakken ‘Kleine’, zoals de jonge Dimitri liefkozend genoemd wordt, en zijn vader en ooms diep weg in schijt, pis en kots. Iedere poging om zich daaraan te ontworstelen, zoals de vader doet wanneer hij zich terugtrekt in een ontwenningskliniek, is gedoemd te mislukken. Vader hervat zijn werk als postbode, een beroep waarbij hij overal zo gastvrij wordt ontvangen dat hij over het algemeen al voor tienen van zijn fiets valt.

Een fraai toekomstperspectief heeft Kleine niet, en hij verwacht een leven van luilakkerij waarbij hij zijn naam alleen zal hoeven spellen bij bezoekjes aan de rechtbank. Dat hij daaraan ontsnapt heeft hij te danken aan zijn oma, die de Jeugdzorg belde met de vraag hem uit huis te plaatsen. Daarmee groeit hij op tot een uitzondering binnen de familie van ‘gewoontedrinkers uit verveling en traditie’.

En in die verwijdering schuilt de tragiek van het boek: in het contrast tussen de verloedering in de jeugd versus het elitaire van Dimitri’s volwassen leven. De tegenstelling tussen die twee werelden blijkt uit het onderscheid tussen de twee ‘ikken’ van het verhaal: het achteraf ‘vertellende ik’ en het als kind ‘belevende ik’. Het zou al te makkelijk zijn geweest om met dedain terug te blikken op zoveel onaangepastheid, maar dat doet Verhulst niet. Hij buit de kloof tussen de twee ikken juist uit.

Zoals Elsbeth Etty vorige week al schreef in haar bijdrage aan de Leesclub, gebruikt Verhulst vaak de ‘wij-vorm’ wanneer het gaat om zijn jeugdherinneringen (al is ‘jeugdherinneringen’ eigenlijk een te idyllisch woord in deze omstandigheden). Dat vertellen vanuit een ‘wij’ creëert een sfeer van saamhorigheid tussen het kind en zijn familieleden. Neem de repliek van ‘ons’ wanneer de vrouw van de Jeugdzorg voor het eerst langskomt: ‘Als wij ooit te weten kwamen wie er zijn beklag was gaan doen over ons gezin, nou ja gezin, dan kon de klikspaan maar beter maken dat hij het land verliet. Bijzondere Jeugdzorg, fok zeg, die namen je kinderen af [...]’. Zijn dit nog wel de gedachten van het kind, kan je je afvragen, want dat heeft immers net gedroomd dat deze vrouw zijn nieuwe moeder zou worden en dat hij weer zijn tanden zou poetsen, hulp bij zijn huiswerk zou krijgen en een vakantie in de Ardennen? Dat het met de onderlinge loyaliteit wel meevalt, blijkt ook als we later horen dat het zijn grootmoeder zelf was die Jeugdzorg waarschuwde.

En het idee van saamhorigheid tussen kind en familie wordt ook op het niveau van de taal ondermijnd. Verhulst vertelt het verhaal op een laconieke, ironische toon, waarbij hij de weinig verheffende omstandigheden van zijn jeugd (of liever gezegd de jeugd van zijn alter-ego) soms in juist heel fraaie, poëtische taal verwoordt. Dat Verhulst niet in dialect schrijft, vormt de kern van zijn verhaal en het gekozen dubbele perspectief. In tegenstelling tot voorgangers met verhalen uit de Vlaamse drek, Hugo Claus in De metsiers, kiest Verhulst voor het ‘bekakte’ Nederlands dat zijn ooms verafschuwden.

Alleen al door dat taalgebruik voel je de verwijdering die er moet komen, de tegenstelling tussen de stompzinnigheid van dit leven en de verfijnde taal waarmee er verslag van wordt gedaan. De tragiek wordt dus uitgespeeld op het niveau van de taal. Soms expliciet, zoals waar het gaat over iemand die ‘alle pijpen van het drankorgel bespeelde’: ‘Wohltemperiert, als we dat woord tenminste hadden gehad’.

In het laatste hoofdstuk is Dimitri de spelbreker: ‘wij’ zijn voor hem ‘zij’ geworden. Het gaat goed met hem, al durft hij dat niet te zeggen. Hij komt terug naar het dorp om het graf van zijn vader te bezoeken. Tegelijk distantieert Dimitri zich van zijn ooms en de wereld van zijn jeugd, door zijn eigen zoontje het drinken van ‘mazout’ en spelen met de gokmachine te verbieden.

Ik ben het met Elsbeth Etty eens dat de verteller ook weet dat hij tekortschiet, het lukt hem immers niet om van zijn zoon te houden. De afschuw waarmee hij de geboorte van zijn eigen kind afwacht, wordt gecontrasteerd met het dronken geluksgevoel van zijn vader toen hijzelf ter wereld kwam: ‘welgekomer kan een ongeluk niet zijn’. Dimitri heeft veel verloren op zijn eenzame weg naar boven. Wat hem rest is de liefde voor vertellingen: ‘de povere winstmarge van het bestaan’.

    • Yra van Dijk