Bush blijft bij zijn eigen gelijk

Het is toeval dat ex-president Gerald Ford overleed terwijl het zittende staatshoofd, George W. Bush, zijn adviseurs raadpleegde over de vraag ‘hoe nu verder in Irak?’ Maar die samenloop geeft deze vraag wel een bijzondere spanning mee. Ford was de man van ‘genoeg is genoeg’. In de ochtend van 30 april 1975 liet hij het licht uitdoen in de Amerikaanse ambassade in de Zuid-Vietnamese hoofdstad Saigon waar de laatste Amerikanen via het dak een goed heenkomen zochten voor de aanstormende communistische divisies. Ford aanvaardde daarmee het roemloos einde van de Amerikaanse interventie in Indo-China, die in de zomer van 1964 ernstig was geëscaleerd met de kritiekloze aanvaarding door het Congres van de leugenachtige Tonkin-resolutie en die vervolgens een 55.000 Amerikanen en ontelbare Vietnamezen het leven had gekost.

Cynici menen dat Bush jr. een les uit deze geschiedenis heeft getrokken. Maar niet de les die het Amerikaanse volk blijkens de stembusuitslag van vorig jaar november bleek te hebben geleerd. Ford mocht in deze wijze van zien de politieke en morele puinhoop opruimen die zijn voorgangers hadden achtergelaten.

Bush zou er nu op uit zijn de interventie in Irak te rekken tot aan het einde van zijn tweede ambtstermijn in januari 2009. Zijn opvolger zou dan uit de mislukking van de onderneming de consequenties moeten trekken en de geschiedenis zou hem/haar, analoog naar wat Ford overkwam, daarvoor verantwoordelijk stellen.

Het is een niet uit te sluiten mogelijkheid. Maar de rede die Bush eergisteren uitsprak om zijn zogeheten nieuwe strategie te lanceren, ook wel the surge, de golf, de stroom, genoemd, wijst op iets anders: op een strak volgehouden onbuigzaam eigen gelijk waarbij de onontkoombaar toegegeven fouten strikt van tactische aard zijn en daarom niet werkelijk aan het Witte Huis kunnen worden toegeschreven.

Die fouten waren, in de presidentiële voorstelling van zaken:

1) er waren niet genoeg Iraakse en Amerikaanse troepen om de wijken veilig te stellen waaruit terroristen en opstandelingen waren verdreven en 2) de troepen die er waren, leden onder een teveel aan beperkingen.

Bush neemt er de volle verantwoordelijkheid voor. Maar dat zegt weinig. President John F. Kennedy nam in april 1961 de verantwoordelijkheid op zich voor de mislukte CIA-invasie in de Cubaanse Varkensbaai. Korte tijd later ontsloeg hij het hoofd van deze dienst, de vermaarde spion Alan Dulles. Uit het eerdere ontslag van minister Rumsfeld en de recente vervanging van twee topgeneraals die respectievelijk belast waren met de leiding in de regio en meer specifiek in Irak zelf mag worden afgeleid wie Bush als de boosdoeners voor de geschiedschrijving heeft genomineerd.

Opzienbarend is de manier waarop de president zich over Iran en Syrië uitlaat. Nogal wat adviseurs, onder wie de gerenommeerde leden van de Iraq Study Group (ISG), hebben gewezen op de noodzaak van een diplomatiek initiatief, een poging om de problemen in Irak dichter bij een oplossing te brengen door de hele regio daarbij te betrekken, inclusief het in het Bush-jargon als behorend tot de axis of evil aangeduide Iran en Syrië. „Met je vijanden praat je”, verklaarde de leider van de ISG, James Baker, oud-minister van Buitenlandse Zaken onder vader Bush en de man die de zoon na de omstreden verkiezingsuitslag van 2000 in Florida aan zijn presidentschap hielp.

En wat zegt de president over beide landen? „Deze twee regimes staan terroristen en opstandelingen toe hun gebied te gebruiken om Irak in en uit te gaan. […] We onderbreken de ondersteuning vanuit Iran en Syrië. En wij zullen de netwerken vernietigen die onze vijanden in Irak voorzien van moderne wapens en training.” Geen woord over diplomatie. Minister Rice vertrekt naar het Midden-Oosten om de boodschap over te brengen. Maar zij doet slechts de bekende adressen aan waar de leiders al lang geleden hun vrijheid van handelen opgaven in ruil voor Amerikaanse protectie en ondersteuning.

Er komen dus ruim twintigduizend manschappen bij in Irak. En hun voornaamste opdracht zal zijn in Bagdad eindelijk eens orde op zaken te stellen. „Tachtig procent van Iraks sektarisch geweld doet zich voor binnen dertig mijl van de hoofdstad”. Maar in dat sektarisch geweld, ook wel burgeroorlog genoemd, is de shia-factor beslissend, zeker in Bagdad. Wie in de hoofdstad orde op zaken wil stellen zal er niet omheen kunnen ‘Sadr City’ onder controle te brengen, het stadsdeel waar het shi’itische Leger van de Mahdi van Muqtada al-Sadr heerst, de naam die de beulen van Saddam Hussein schreeuwden en waaraan de Iraakse regering schatplichtig is.

Bush is ondanks alle tegenslagen nog steeds overtuigd van de grootsheid van zijn missie. „De uitdaging in het Midden-Oosten is meer dan een militair conflict. Het is de beslissende ideologische worsteling van onze tijd.” Enerzijds Wij, anderzijds Zij, de extremisten die de onschuldigen doden en die zichzelf als doel hebben gesteld „onze manier van leven te vernietigen”.

Het zijn exact de woorden waarmee Bush na ‘nine eleven’ ‘the war on terror’ lanceerde. Het klinkt als een verheven concept, maar het is een radicale vereenvoudiging van de werkelijkheid. De president daalt vervolgens af naar de dagelijkse besognes. Van de Iraakse regering eist hij om op korte termijn te tonen dat zij het vermogen heeft zelfstandig de orde te handhaven. Maar die regering is onderdeel van het probleem, niet van de oplossing. De ogenschijnlijk verheven missie wacht daarom de catastrofe.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.