Botox voor Beets

In een stuk over Ivo de Wijs’ bewerking van Woutertje Pieterse stelde Pieter Steinz dat hertalen van de klassieken nodig is. Maar waar blijft de academische standaard dan, vraagt de hoogleraar Nederlands zich af.

Het dagboek van Jacob van Lennep uit 1823 lag op tafel. Daaromheen een uitgever, een schrijver, een producer en een literatuurprofessor. ‘Herspellen!’ zei de uitgever. ‘Is dat wel genoeg?’ vroeg de producer. ‘Bewerken’, opperde de schrijver, ‘er gewoon een modern boek van maken.’ ‘Nergens voor nodig,’ zei de professor, ‘het is heus niet zo moeilijk.’ We bleven discussiëren en van mening verschillen, tot ik aanbood drie proeven te geven van dezelfde pagina, één wetenschappelijk uitgegeven, één herspelde tekst en één vertaalde tekst. Een paar dagen later beslisten de uitgever, de schrijver en de producer eensgezind dat de vertaling het glansrijk won. Mijn gesputter hielp niet, en ik ging overstag. Het dagboek werd uitgegeven, en in heel korte tijd waren er drie drukken nodig.

Ik ben lang een tegenstander geweest van ingrijpen in historische teksten. Ik schreef dertien jaar geleden een streng boek over hoe je literatuur uit het verleden hoort uit te geven. Een goede wetenschappelijke editie, zo zei ik, is niet herspeld en zeker niet hertaald, en als je een tekst inkort ben je helemaal van de duivel bezeten.

Inmiddels denk ik daar wel anders over. Als je lezers wil blijven motiveren om teksten uit het verleden te lezen, moet je iets ondernemen. Blijf je star op je wetenschappelijke kont zitten, dan raak je geïsoleerd. De universiteit is geen natuurreservaat waar de zeldzame diersoort die ‘de canonlezer’ heet beschermd moet worden. Je bent wereldvreemd als je denkt dat je studenten met plezier de Camera Obscura, romans van Jacob van Lennep, Sara Burgerhart lezen. De taal stoot af, de oude druk stoot af, de stijl spreekt niet aan, de thematiek is niet toegankelijk.

Maar toch zijn er teksten uit het verleden die wel algemeen gelezen worden. Toneelteksten bijvoorbeeld. Iedereen heeft Shakespeare gezien en vervolgens gelezen, al dan niet in de schitterende bewerkingen die ervan gemaakt worden in het hedendaags Nederlands. Datzelfde geldt voor de klassieken: Euripides en Sophocles.

Wat ook gelezen wordt zijn historische teksten uit het buitenland, in vertaling. Loop Scheltema binnen en bij de goedkope uitgaven op de begane grond liggen stapels Dickens, Austen, Hugo, Dumas. Waarom? Omdat ze goed vertaald zijn in modern Nederlands, en omdat ze in lekkere paperbacks uitgegeven zijn die makkelijk op het strand of in bed te lezen zijn. Oudere buitenlandse literatuur en toneel winnen het van Nederlandse oudere literatuur, want vertalen staat niet ter discussie bij proza, en bewerken en moderniseren niet bij toneel.

Ivo de Wijs heeft dus gelijk als hij probeert Woutertje Pieterse toegankelijk te maken. En Pieter Steinz heeft gelijk als hij stelt dat De Wijs te ver is gegaan, ‘de hogedrukspuit te fluks gehanteerd’ heeft. En beiden hebben gelijk als ze aangeven dat herspellen alleen niet voldoende is.

Het valt niet meer te verdoezelen: de taal van vóór pakweg 1850 is ontoegankelijk geworden voor de moderne lezer. Die staat gelijk met Frans of Duits, en moet dus vertaald worden voor de gemiddelde lezer, of ‘hertaald’ zoals de term voor vertalen van het Nederlands in het Nederlands luidt. Voor de Middeleeuwen is dit al een flinke tijd gebruikelijk. Er zijn daar twee richtingen in: literair hertalen, en letterlijk hertalen. Steinz noemde al Willem Wilmink en Thomas Rosenboom als esthetische vertalers. Bijzonder aardig is ook de dichter Karel Eykman in Karel ende Elegast en Imme Dros als vertaler van Hadewijchs visioenen. De academische mediëvist Willem Kuiper maakte een bloedstollende vertaling van Ferguut. Daarnaast zijn er keurige uitgaven waarin de oorspronkelijke tekst naast de vertaling staat, die precies de woorden volgt maar bleekjes afsteekt bij het echte werk.

Wat voor de Middeleeuwen geaccepteerd is, zou ook voor de 17de eeuw en later moeten gebeuren. Inderdaad, een nieuwe Camera Obscura, vooral ook hertalingen van de zo spitse Betje Wolff en Aagje Deken, zelfs Eline Vere, twintig jaar geleden nog een favoriet boek onder mijn vrouwelijke studenten, maar nu een draak bevonden. Ikzelf heb geprobeerd de passie van Bilderdijk in zijn ballingschapsbrieven in hedendaagse hartstocht om te zetten.

Maar waar blijft de academische standaard dan, is de vraag. Als je laat varen dat een neerlandicus teksten in het origineel kan lezen, wie kan de oude literatuur dan nog overdragen? Het antwoord is simpel: aan de universiteiten moeten de studenten bij historische letterkunde geschoold worden in het vertalen van oude teksten. En daarvoor dienen regels opgesteld te worden.

Vele jaren geleden was er aan de Universiteit van Amsterdam een bloeiende afdeling Vertaalwetenschap. Uitmuntende vertalers als Peter Verstegen en James Holmes gaven er college, en er was een gedegen theoretische onderbouwing. Die afdeling heeft ertoe bijgedragen dat het vertalen in Nederland een hoge literaire vlucht genomen heeft. De afdeling sneuvelde in de algemene bezuinigingsdrift van de jaren negentig. Enige jaren bestond er geen academische opleiding meer, maar in Utrecht is er nu een masterprogramma en een deeltijdhoogleraar. Er bestaan algemeen aanvaarde, maar soepele regels voor vertalingen. Bijvoorbeeld: een woord weglaten kan niet zomaar, de vertaler moet proberen de ritmiek van het oorspronkelijk te benaderen, slang of dialect moet in een Nederlands equivalent vertaald worden.

Zo zou er ook een vak Hertaalwetenschap moeten komen. Studenten leren eerst de oude teksten lezen, en dan mogen ze hertalen. Om te beginnen netjes, zoals een vijfdeklas gymnasiastje Homerus letterlijk vertaalt, en dan in vrije galop. Onder leiding van academici die zich er niet voor schamen creativiteit en wetenschap met elkaar te verbinden. Zoals het Instituut voor Vertaalwetenschap een generatie literaire vertalers baarde, zo zal een Instituut voor Hertaalwetenschap hertalers baren.

Er moeten dan echter ook spelregels voor hertalen opgesteld worden. Een vertaler die stukken tekst weglaat komt op een zwarte lijst terecht. Dat zou ook voor hertalers moeten gelden. De regel moet zijn dat een tekst in zijn geheel omgezet wordt. Wie zou accepteren dat er van een oud schilderij een stuk wordt afgesneden omdat het te veel details bevat? Of wie zou wat noten weg durven halen uit een symfonie van Beethoven omdat die te lang duurt? Geen ingekorte Max Havelaar, maar wel een waarin het kleurrijke nieuwe Nederlands van de laatste jaren vakkundig over het oude gelegd is.

Botoxinjecties dus om het oude vel wat strakker te maken. Het helpt, misschien alleen voor het eerste gezicht, maar wat geeft dat? Wie eenmaal in het binnenste van de tekst terecht is gekomen, is gewonnen.

Lees het stuk van Pieter Steinz (‘Wil hij zo gelezen worden?’, Boeken 05.01.07) op www.boekenblog.nl

    • Marita Mathijsen