‘Blair verzuimde VS concessies af te dwingen’

Christopher Meyer, Brits oud-ambassadeur in de VS, heeft kritiek op het Irak-beleid van Tony Blair. „Blair ging gewoon af op de bewering dat ze met open armen zouden worden ontvangen.”

Christopher Meyer Foto Reuters Sir Christopher Meyer, Britain's former ambassador to Washington, leaves a committee hearing examining the practice of senior political figures publishing their diaries, at Westminster in central London, December 15, 2005. Meyer has resisted repeated calls for him to resign in his new role as chairman of the Press Complaints Commission after publishing a highly critical account of his time as ambassador prior to the 2003 invasion of Iraq. REUTERS/Dylan Martinez oud-ambassadeur Groot-Brittannie en de VS REUTERS

Sir Christopher Meyer, tot 2003 Brits ambassadeur in Washington, hoort niet tot het vaste koor van Europese critici van de Amerikaanse president George W. Bush. Integendeel, hij heeft zijn politieke meesters in Londen er al vroeg voor gewaarschuwd Bush niet te onderschatten. Maar ook Meyer heeft er een hard hoofd in of diens jongste plannen het tij in Irak kunnen keren.

„Ik hoor tot het kamp van de mensen die er sceptisch over zijn wat 20.000 militairen extra in Irak kunnen bereiken”, zegt de oud-diplomaat, die vorig jaar veel stof deed opwaaien met zijn openhartige memoires getiteld DC Confidential. Daarin stelde hij dat premier Tony Blair meer Amerikaanse concessies had kunnen afdwingen voor de inval in Irak, als hij zich harder had durven opstellen.

„Als je maar appelleert aan het eigenbelang van de VS, kun je vaak best zaken gedaan krijgen”, aldus Meyer nu. „Iemand als Margaret Thatcher was daar heel bedreven in. De Amerikanen zijn meestal best bereid iets voor jou te doen als jij iets voor hen doet.” Is het de laatste jaren ook zo met Blair gegaan? „Volstrekt niet”, antwoordt Meyer met veelbetekenende lach.

Sinds zijn pensionering geeft Meyer leiding aan het Britse equivalent van de Raad voor de Journalistiek, maar hij blijft de ontwikkelingen in Washington en Bagdad op de voet volgen. Hij heeft er begrip voor dat Bush de belangrijkste aanbevelingen van het Baker/Hamilton-rapport (verminder de militaire presentie en zoek diplomatiek contact met Iran en Syrië) naast zich heeft neergelegd. „Het zou politiek heel moeilijk voor hem zijn geweest, omdat het zou neerkomen op het toegeven van zijn ‘nederlaag’. Daar is George W. nog niet aan toe, als hij al ooit zo ver komt”, aldus Meyer, onder wiens broekspijpen vrolijke rode sokken tevoorschijn komen, min of meer zijn handelsmerk.

Is de Amerikaanse positie in Irak hopeloos?

„De toestand hoeft niet volkomen hopeloos te zijn. Ik vraag me wel steeds meer af of het nog iets uitmaakt wat de Amerikaanse en Britse troepen doen. Het lijkt er op dat de facties in Irak een nieuw evenwicht zoeken, ongeacht of er nu 20.000 Amerikaanse militairen bij komen of niet. Je kunt ook de vraag opwerpen of dit een plan is voor Irak of voor Amerika. Heeft het te maken met de positie van Bush en de Republikeinse Partij of is het een serieuze poging de toestand in Irak te verbeteren? Ik denk meer het eerste.”

Is het een illusie diplomatiek contact met Syrië en Iran te zoeken?

„Nee, dat is volgens mij geen illusie, al zal het niet gauw gebeuren. Je moet in deze situatie heel pragmatisch zijn. Stel jezelf de vraag of ze invloed in Irak hebben. Als het antwoord ‘ja’ is, dan moet je proberen met hen te onderhandelen. De andere vraag is: hebben de ontwikkelingen in Irak gevolgen voor de situatie in Iran en Syrië? Ook daarop is het antwoord volgens mij ‘ja’. Kijk dus niet alleen naar Irak maar ook naar de omgeving. De diplomatieke raderen zijn tot dusverre helemaal niet ingeschakeld bij het zoeken naar een stabiele politieke oplossing.”

Maar is het mogelijk zaken met Iran te doen over Irak?”

„Het zou moeilijk zijn Iran aan een serieuze conferentie te laten deelnemen. De kwestie is of westerse regeringen bereid zijn tot een botsing met Israël. Op het moment is het antwoord daarop ‘nee’. Ook premier Tony Blair is er niet consistent over. Het ene moment lijkt hij bereid met Iran te praten, het volgende steekt hij een donderpreek af over Iran.”

De vroegere Britse minister van Defensie Geoff Hoon zei onlangs dat Blair en hij na de inval in Irak nog vergeefs hadden geprobeerd de Amerikanen af te houden van de ontbinding van het Iraakse leger en van een zuivering onder Ba’ath-partijleden. Was dat een keerpunt?

„Dat had al ruim voor de inval moeten zijn afgesproken. Dat is weer een bewijs dat de planning voor de periode na de omverwerping van Saddam tekortschoot. In de aanloop naar de inval hebben we vanuit de ambassade in Washington steeds aan Londen gemeld dat de planning voor de periode na Saddam het zwarte gat vormde in het denken van de Amerikanen. Er had een uitgewerkt plan moeten liggen. Er was uiteindelijk alleen chaos. Dat was de ernstigste tekortkoming van allemaal.”

Valt dat Blair aan te rekenen?

„Ik denk dat iemand als Margaret Thatcher het anders zou hebben aangepakt. Die kende haar zaken en lette op alle details. Blair ging gewoon af op de bewering dat ze met open armen zouden worden ontvangen in Irak. De premier werd in die periode helemaal in beslag genomen door zijn eigen Labour-partij die hij voor de oorlog moest zien te winnen.”

U had als ambassadeur een vrij hoge dunk van president Bush. Is dat veranderd?

„Je kunt als president iets doms doen zonder dat je dom bent. Ik heb altijd betoogd dat Bush een slimmere en meer gewiekste politicus is dan veel mensen denken. Vergeet ook niet dat hij diep geraakt is door de aanslagen van 11 september. Zijn adviseurs speelden eveneens een rol. Ook die waren trouwens allerminst dom. Het is moeilijk een slimmer iemand te vinden in Washington dan Paul Wolfowitz. De inval in Irak was niet het werk van domme lui maar van mannen die een bepaalde visie op de wereld hadden en de rol van de Verenigde Staten daarin. Maar ze hebben zich op een aantal fundamentele punten misrekend.”

Leden ze aan hoogmoed door een land binnen te vallen, waarvan ze weinig wisten?

„Ik denk van wel. Als je uitgaat van de oppermacht van de Amerikaanse strijdkrachten en je denkt dat je als helden wordt begroet in het land dat je binnenvalt, dan krijg je al gauw het gevoel dat er niets is dat je niet kunt doen. Een essentieel ontbrekend element was ook het verwaarlozen van de politieke factor. Wat dat betreft is Clausewitz, die leerde dat oorlog de voortzetting van politiek met andere middelen is, nog altijd relevant. Als je een regering in een land omverwerpt, moet je de best mogelijke afstemming hebben tussen politieke en militaire middelen. En daar heeft het bij de operatie in Irak eigenlijk al sinds 2003 aan geschort.”

    • Floris van Straaten