‘Paris, je t’aime’ puilt uit van de pareltjes

Paris, je t’aime. ****

Hoe vertel je over een film waaraan 22 regisseurs meewerkten en die uit zeventien korte schetsen bestaat, zeg vijf minuten per filmpje? Dat is even zinloos als in zeventien filmpjes proberen heel Parijs te vangen.

Paris, je t’aime is de titel van een project waaraan gerenommeerde en interessante regisseurs meewerkten, zoals de gebroeders Coen, Tom Tykwer, Walter Salles, Gus van Sant, Alexander Payne en even interessante acteurs als Gena Rowlands, Gérard Depardieu, Natalie Portman, Elijah Wood en Steve Buscemi. Er zitten prachtige en ergerlijke filmpjes tussen. Samen tellen ze warempel op tot een soort authentieke sfeer.

Paris, je t’aime begint met een tere ontmoeting van twee geknakte zielen in een opstopping in Montmartre, geregisseerd door Bruno Podalydès. Het eindigt met een algehele liefdesverklaring aan de stad van een Amerikaanse toeriste die zichzelf de taal net machtig heeft gemaakt en op een bankje in het veertiende arrondissement geniet, in een moment dat Alexander Payne voor haar bedacht.

Mij beviel het schetsje van Walter Salles en Daniela Thomas het beste. Zij filmden een werkende moeder op weg naar en op haar schoonmaakadres in een peperdure wijk. Het verlangen naar haar kind, de eenzaamheid van alle gefilmden en toch het gevoel dat geluk om de hoek ligt als je maar goed kijkt. Het is een wonderlijke sfeer die Salles en Thomas scheppen, maar het is echt en niet iets van tussen de filmlampen.

De broers Coen hebben weer het andere uiterste gedaan. Zij zetten Steve Buscemi in een metrostation en laten hem getuige zijn van een knallende ruzie tussen meisje en jongen. Zijn behoefte om goed te doen helpt niemand, het minst van alles hemzelf. Typerend voor de Coen broers, heel surreëel en met oog voor de schoonheid van het alledaagse.

Paris, je t’aime puilt uit van de pareltjes. En bij de hinderlijke bijdragen van bijvoorbeeld Christopher Doyle kun je gewoon vijf minuten de ogen sluiten en dan is het al voorbij.

    • Bas Blokker