Niet iedereen in een Lonsdale-trui is rechts-extreem

Gemeenten doen te weinig aan probleemjongeren, constateren onderzoekers van minister Verdonk. Maar Zoetermeer bindt de strijd aan met extreem-rechts.

Zoetermeer heeft een probleem met extreem-rechtse jongeren. Natuurlijk heeft Zoetermeer een probleem met extreem-rechtse jongeren want bijna elke gemeente heeft wel problemen met extreem-rechtse jongeren. De grote steden, de middelgrote en de kleine steden. En op het platteland. En gemeenten reageren daar zelden adequaat op. Niet als het gaat om spanningen tussen autochtone en allochtone jongeren. En ook niet als het gaat om spanningen tussen zogenoemde Lonsdale-jongeren en groepen jongeren van autochtone komaf, zoals in Zoetermeer.

Die conclusie trokken vier door demissionair minister Verdonk (Integratie, VVD) ingestelde interventieteams in hun eindrapportage die ze gisteren presenteerden op het symposium ‘De Vrijblijvendheid Voorbij’ In Den Haag. Volgens de teams hebben gemeenten geen helder beeld van de ingewikkelde problemen die de multiculturele samenleving met zich meebrengt. Gemeenten spreken over dé Lonsdale-jongeren of dé Antillianen, terwijl er binnen die groepen grote verschillen zijn. Het gevolg van de simplistische opvattingen is dat er eenzijdige maatregelen worden genomen, die vaak ook nog slecht worden uitgevoerd. Het effect van de maatregelen is nihil, stelden de interventieteams.

En dat terwijl we te maken hebben met een groeiend probleem, zei gisteren Jaap van Donselaar, universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden en onderzoeker bij de Anne Frank Stichting. Het is lastig te zeggen om hoeveel jongeren het gaat omdat groepen in hoog tempo ontstaan en verdwijnen. Zeker is dat in Nederland gaat om duizenden jongeren.

Gevaarlijk wordt het pas als de jongeren dóórradicaliseren. Vooral op het internet wordt „de discours heftiger”, zegt Van Donselaar. „Op het net kunnen ze alles zeggen, hun uitingen worden door niemand gecorrigeerd zoals in het dagelijks leven gebeurt door opvoeders, leraren en politie.”

Halim El Madkouri van het instituut voor multiculturele ontwikkeling Forum ziet radicalisering als een proces van verwijdering en vervreemding van de samenleving. Hij sprak gisteren vooral over radicale moslimjongeren, maar denkt dat dat net zo goed voor extreem-rechtse jongeren geldt. El Madkouri waarschuwde voor een overreactie: „Niet iedereen met een baard of een hoofddoek is radicaal. Net zoals niet iedereen in een Lonsdaletrui rechts-extreem is. Er bestaat geen checklist.” Daarom is kennis van de groepen waar het om gaat en hun denkbeelden zo belangrijk, vindt El Madkouri. En: de overheid moet niet verkrampen, maar in gesprek blijven.

Dat probeert Zoetermeer. Toen de gemeente vorig jaar op Bevrijdingsdag een jongerencentrum verhuurd bleek te hebben aan een groep rechts-extreme jongeren en daar een grote rel over uitbrak – foto’s van jongeren die de Hitlergroet brachten, werden op internet gezet – werd besloten tot daadkrachtig optreden.

Afgelopen zomer kondigde de gemeente aan het rechts-extremisme onder jongeren aan te pakken en zich daarbij vooral te richten op de zogenoemde ‘Lonsdale-jongeren’, een groep van naar schatting tweehonderd jongeren die sympathiseren met extreem-rechtse ideeën. De groep veroorzaakte overlast en kende veel meelopers.

De gemeente wil de jongeren niet heropvoeden, zegt Frans Muijzers, wethouder Jeugd in Zoetermeer. „Dat zou ook heel lastig zijn want de ideeën van de jongeren verschillen vaak niet veel van de denkbeelden van hun ouders. Ze worden thuis niet tegengesproken.” In Zoetermeer, legde Muijzers uit, wonen veel Hagenezen die de stad te donker vonden worden. „Die dachten, we gaan de polder in want daar is het nog blank. En die jongeren zeggen: ‘En dat blijft ook zo. Wat mijn ouders is gebeurd, dat gebeurt mij niet’.” Vaak kennen die jongeren geen allochtonen, zegt Muijzers. Het percentage allochtonen in Zoetermeer is ongeveer vijftien procent. „Als je vraagt wat allochtonen eigenlijk verkeerd doen, zegt zo’n jongen die al een jaar een uitkering heeft: ‘Ze werken niet, als ze niet werken moeten ze terug’.”

Naast de Lonsdale-jongeren onderscheidt Zoetermeer de ‘gabbers’, een veel grotere groep die dreigt door te stromen naar de Lonsdale-jongeren. De groepen voelen zich meer verbonden door hun gemeenschappelijke liefde voor hardcore-muziek dan door ideeën. Verder is er nog de groep extreem-rechts, een ‘harde kern’ van circa dertig personen, deels van buiten Zoetermeer. Muijzers: „Deze groep hebben we opgegeven. Die is voor de politie.”

Maar van de overige rechts-extreme jongeren wil Muijzers „namen en rugnummers”. Want alleen dan kan je informatie verzamelen die je nodig hebt om in te grijpen voordat het ontspoort. Lastig want politie, jongerenwerkers en scholen delen die privacygevoelige informatie niet graag. Scholen, zegt Muijzers, „lossen incidenten het liefst binnen de eigen muren op, uit angst voor een slechte naam.” Naast een groepsgerichte aanpak zullen deze jongeren voor het eerst ook individueel worden aangesproken.

Er is veel belangstelling van andere gemeenten voor de Zoetermeerse aanpak. De stad weet niet of ze daar zo blij mee moet zijn. „Doordat wij open over het probleem communiceren lijkt het alsof het bij ons veel erger is. Niet alleen andere gemeenten komen kijken, ook journalisten.”

En helpt deze aanpak? De nieuwe werkwijze moet nog worden geëvalueerd. In elk geval heeft Muijzers al in geen tijden rechts-extreme jongeren meer zien rondhangen. „Ze voelen zich ongetwijfeld meer opgejaagd. Maar misschien hebben ze alleen maar andere kleren aangetrokken.”

    • Sheila Kamerman