Hutten en paleizen

’t Is niet echt een dorp van één straat, mijn Niemandsdorp. De dikke ader waar de camions met hun verschroeide boomstammen doorheen kronkelen kent vertakkingen. Het Genoveva-pad dat naar het Grote Hotel leidt. Zijsteegjes die nauwelijks licht vangen en waar je via een balustrade of stoep rechtstreeks een huiskamer binnenstapt. Er groeit gras op de keien. Soms bereik je via zo’n zijsteeg een andere zijsteeg, maar meestal eindigt de tocht bij een blinde muur of een moestuin.

Een labyrint kun je de verzameling stegen van Niemandsdorp niet noemen. Daarvoor is het allemaal te onordelijk en te kleinschalig. Een spinnenweb eerder, van een erg luie en erg onsamenhangende spin.

De voornaamste concurrent van de verharde verkeersweg is de Romeinse weg. Hier en daar zijn er fragmenten van bewaard gebleven. Ze concurreren alleen qua eerbiedwaardigheid – het wegdek kent te veel lacunes en onregelmatigheden om andere deelnemers aan het verkeer toe te laten dan slangen en hagedissen.

En regenwater.

De Romeinse weg volgt een andere route dan de weg van nu. Van een tempel uit het dal kwamen de Romeinen met hun karren aangesukkeld en naar een tempel bovenop de berg waren ze op weg. De tempels zijn verpulverd en we moeten nu maar raden naar begin- en eindpunt. Alleen de hoge wal ter weerszijden bestaat nog.

Een onoverdekte tunnel, om de hoofdpluimen vrij baan te verlenen.

Aan de Romeinse weg woont niemand. Alle huizen hier hebben een genoeglijke plek uitgezocht aan de hoofdstraat en in het spinnenweb. Kromme en verweerde huizen, hier en daar aan de eisen van een grimmige buitenwereld aangepast door toevoeging van rolluiken en aluminium deuren met houtmotief. De huizen trekken bij elke regenbui krommer, alleen de kozijnen blijven recht.

Er staan maar vier grotere huizen in Niemandsdorp. Afgezet tegen de elkaar overeind houdende broederschap van krotten en stallen lijken ze imposanter dan in werkelijkheid.

Hutten en paleizen.

Op het grasveld tussen fragment III en fragment VII van de Romeinse weg kom ik doutor Marques tegen. Hij woont in een paleis en ik woon in een paleis, dus we zeggen elkaar goedendag. Doutor Marques spreekt ook mij met doutor aan, noblesse oblige.

De eerste keer dat ik hem ontmoette, jaren geleden, wilde hij per se Duits spreken. „Ik heb een tijd in Duitsland doorgebracht, doutor”, verklaarde hij trots. „Hoe oud was u toen, doutor?” vroeg ik. „Nog geen twintig, doutor”, antwoordde hij.

Ik rekende het in mijn hoofd uit, routineus terugtellend. Precies zoals ze, denk ik, deden toen seks voor het huwelijk nog gewaagd was, terugtellend van de dag van de verwachte bevalling naar de trouwdatum.

Mmm.

Ik schatte de doutor op dik in de tachtig nu.

Wat had hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland te zoeken? Als wakkere knaap? Doutor Marques zag mij denken. Hij leek duidelijk niet van plan met zijn ogen te knipperen. Liever, hij keek of hij een kreet van bewondering verwachtte.

We doutoorden nog wat over en weer.

„Allemaal mijn land daar, doutor”, viel de doutor ineens uit. Hij gebaarde naar de horizon. „Ze komen er niet op.”

    • Gerrit Komrij