Heuvel

Meer dan 20.000 man en vrouw extra naar Vietnam, pardon Irak. Ik zie het Bush zeggen en ik hoor het geween en het geknars van tanden bij de mensen die zullen achterblijven, ouders, partners, kinderen.

Over hun angst bestaat een oud, mooi boekje: So Long, Son. Het verscheen in 1944 bij G.P. Putnam’s Sons in New York op papier dat nog steeds ruikt naar de oorlog en in een omslag met de kleuren van de Amerikaanse vlag. De schrijver was Howard Vincent O’Brien, een columnist van The Chicago Daily News.

Ik beschreef al eens eerder de aangrijpende column die hij schreef toen zijn zoon Donel, Amerikaans officier, ‘terugkeerde’ uit Europa. Van Donel restte alleen nog een doos met kleren en spulletjes, keurig thuis bezorgd bij zijn ouders. „Het was ongelofelijk dat van een groots avontuur in een ver land niets anders over was dan een kwartje en een horloge dat niet meer liep”, schreef O’Brien.

Die column schreef hij pas in januari 1945, dus na de publicatie van So Long, Son. Toen hij dat boekje publiceerde, was zijn zoon al vermist, maar de ouders hadden nog hoop dat hij ergens zou opduiken. Het boekje gaat vooral over de beslissing van zijn 21-jarige zoon om vervroegd dienst te nemen en de verwarring en de angst die dat bij zijn ouders veroorzaakte. Het begint als volgt:

„Het was een paar weken na Pearl Harbor.

Er was geen band, geen vlag, geen ceremonieel. Het was niet dramatisch – het begin van dit verhaal. Buiten klonk de claxon van een auto en hij zei: ‘Dat zal voor mij zijn.’

Hij pakte zijn kleine tas, en zijn moeder zei: ‘Je hebt toch niet je handschoenen vergeten?’

Hij kuste zijn moeder en stak zijn hand naar mij uit. ‘Nou, tot ziens dan’, zei hij. Ik pakte zijn hand, maar ik kon alleen maar zeggen: ‘Hou je goed.’

De deur sloeg dicht en dat was het dan – weer een jongen naar de oorlog.’’

O’Brien beschrijft dan dat hij naar de kamer van zijn zoon loopt, zijn spullen bekijkt en zich de kritiek herinnert die hij zo vaak op hem heeft gehad. „En toen dacht ik: wat gaan we toch raar met onze kinderen om – altijd maar bezig met wat we van hen kunnen maken; altijd plannen maken voor een toekomst die nooit komt; altijd gericht op wat ze zouden kúnnen zijn – nooit aanvaarden wat ze zijn.”

De morele druk op jonge Amerikanen om dienst te nemen, was destijd zo groot dat iemand als Donel zich nauwelijks meer als burger op straat durfde vertonen. Opgelucht schreef hij als militair aan zijn ouders dat hij nu eindelijk verlost was van ‘opgetrokken wenkbrauwen’ en ‘onderzoekende blikken’. De militairen die nu naar Irak moeten, zullen naar een heel andere motivatie op zoek moeten, vrees ik voor hen.

Wat altijd zal blijven, is de ondraaglijke angst aan het thuisfront. Ouders als die van Donel zaten geketend aan de radio en spelden de oorlogsverhalen in de kranten. Elke dag kon ‘het telegram’ arriveren. Donels moeder las het haar man ‘met betraande stem’ telefonisch voor: „Missing in action.”

„Ik dacht aan een regel van Walt Whitman”, schrijft O’Brien, „iets over het leven dat bestaat uit het bedwingen van een heuvel, om vervolgens op een andere te stuiten.”