De vakbondsman die naar de Dam ging

Herman Bode stond aan de wieg van de FNV, fusie van katholieken en socialisten. In de roerige jaren ’80 zorgde hij voor nieuw elan van de vakbeweging.

‘Willen we naar de Dam? Dan gáán we naar de Dam!’ Meer dan één generatie vakbondsleden is opgegroeid met deze strijdkreet van de gistermiddag op 81-jarige leeftijd in Enkhuizen overleden voormalige vakbondsvoorman Herman Bode.

Wie ‘Herman Bode’ zei, hief in één adem de gedenkwaardige leuze aan waarmee hij zijn achterban toesprak op 4 maart 1980. Of beter gezegd: opzweepte. Want díe vaardigheid verstond de van de katholieke arbeidersbeweging (metaalarbeidsbond St. Eloy) afkomstige Twentenaar destijds als nog maar weinig anderen in de Nederlandse vakbeweging.

Het was in meer dan een opzicht een opmerkelijk moment. Het ging na twee oliecrises niet goed met Nederland en de vakbeweging liet haar tanden zien tegen de „ombuigingen” van het eerste kabinet-Van Agt. Later die maand zou minister Andriessen (Financiën) aftreden. De politieke concessies aan het maatschappelijke verzet gingen hem te ver.

Bode’s optreden markeerde op dat moment ook nieuw elan van de Nederlandse vakbeweging. Hij was zelf inmiddels opgeklommen tot vice-voorzitter van het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) en druk doende de wissels te smeren voor de vorming van een federatie met de in het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) verzuilde ‘socialisten’. Mede dankzij zijn tomeloze inzet werd deze FNV in 1982 een feit. Dat de christenbroeders van het CNV daar niet aan meededen, heeft hij hen maar moeilijk kunnen vergeven.

Van de FNV was Bode de eerste vice-voorzitter en rechterhand van Wim Kok. Samen maakten ze de vakbeweging rijp voor het roemruchte tripartite ‘Akkoord van Wassenaar’ uit november 1982 over loonmatiging in ruil voor werkgelegenheid en rendementsherstel. Het legde de basis voor de succesvolle herstelkoers van het eerste kabinet-Lubbers van CDA en VVD.

„In zijn tijd een belangrijk boegbeeld van de vakbeweging”, aldus huidig FNV-voorzitter Agnes Jongerius over haar voorganger. „Hij was warm, gedreven, heel herkenbaar voor werknemers en zeer betrokken bij het lot van mensen buiten het arbeidsproces, zoals werklozen en arbeidsongeschikten.” Na zijn afscheid in 1985 bleef hij zich inzetten voor kerkelijk-sociale organisaties, zoals ‘De arme kant van Nederland’.

Herman Bode – het was geen geheim – lustte hem graag. Er werd wel van hem gezegd dat hij pas echt op gang kwam na een fles sterke drank. Hij gold als een ouderwetse vergadertijger. Wie het waagde tijdens een vergadermarathon ver na middernacht te opperen om maar eens te stoppen, diende hij stoer van repliek: „Nee, nu plukken we de vruchten van onze harde jeugd”. Ook die woorden waren Bode ten voeten uit.