De goedkope arbeider en de dure cao

Letse bouwvakkers in Zweden bij een Zweedse dochter van een Lets moederconcern. Onder welk arbeidsrecht vallen die? Het Europees Hof van Justitie buigt zich over dergelijke zaken. Die zijn „heel, heel belangrijk” voor de arbeidsverhoudingen in de EU.

„Dit is geen ruzie tussen oude en nieuwe lidstaten van de Europese Unie. Dit is een zaak van botsende tradities”, zei de Deense jurist J. Bering Liisberg gisteren voor het Europees Hof van Justitie in Luxemburg. Maar ook hij kon er niet omheen dat de scheidslijn precies tussen het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ Europa liep.

Aan de ene kant de gevestigde West-Europese welvaartsstaten met hun beproefde modellen voor sociale vrede waarin werknemersrechten stevig liggen verankerd. En aan de andere kant de Oost-Europese nieuwkomers met hun lagere lonen, hunkerend naar de zegeningen van het vrije dienstenverkeer in Europa.

De ‘botsing van tradities’ kwam dinsdag en gisteren aan de oppervlakte voor het Europees Hof. Daar ging het over twee sociale conflicten, waarover de hoogste Europese rechter om een oordeel is gevraagd. De uitkomst is volgens secretaris-generaal John Monks van het Europees Vakverbond „heel, heel belangrijk” voor de toekomstige arbeidsverhoudingen in heel Europa.

Beide conflicten spelen in Scandinavië. Het eerste gaat tussen het bouwbedrijf Laval uit Letland en twee Zweedse vakbonden van werknemers in de bouw. In het tweede zijn de hoofdrollen voor de Finse vakbond van zeelieden (FSU), gesteund door de internationale federatie van vervoersbonden ITF, en de Finse veerbootexploitant Viking.

Laval verwierf in 2004, kort na toetreding van Letland tot de EU, de opdracht voor de bouw van een school in Vaxholm in Zweden. Voor de uitvoering stelde Laval werknemers uit Letland ter beschikking aan zijn Zweedse dochterfirma. Maar Laval bereikte met de Zweedse vakbonden geen akkoord over het loon van de Letten. Dat was voor de Zweedse bonden het sein om in actie te komen. Die resulteerde in stillegging van de bouw, faillissement van de Zweedse Laval-dochter en vertrek van Laval uit Zweden. Laval stapte naar de Zweedse rechter, die de kwestie voorlegde aan het Hof in Luxemburg.

„Laval wilde de Zweedse arbeidsvoorwaarden ontduiken”, zei advocaat U. Öberg van de Zweedse bonden. Als dat was toegestaan, zou „the race to the bottom” zijn ingezet. „Wij zeiden niet tegen de Letten: ‘Blijf thuis’. Wij zeiden: ‘Welkom in Zweden, maar wel onder de voorwaarde van gelijk loon voor gelijk werk’.”

Öberg prees het ‘Zweedse model’, dat al zo lang succesvol is in het bewaren van arbeidsrust en goede sociale verhoudingen. Met als hoeksteen centraal overleg tussen werkgevers en werknemers, gevolgd door decentrale invulling via cao’s, die van bedrijf tot bedrijf, van regio tot regio verschillen.

„Het Zweedse model is een uitgebalanceerd en flexibel stelsel, dat niet mag worden ondermijnd door bedrijven die zich niet aan de mores willen houden”, aldus Öberg. Volgens hem is het in Europa een uitgemaakte zaak dat detacheringsfirma’s zich moeten conformeren aan de arbeidsvoorwaarden van het ‘gastland’.

Advocaat A. Elmér van Laval betichtte de Zweden daarentegen van „protectionisme” en „discriminatie”. Elmér: „Het Zweedse bestel is een doolhof. Het is voor een buitenlands bedrijf vrijwel ondoenlijk daarin de weg te vinden.”

De Zweedse praktijk is volgens Elmér in strijd met het vrije dienstenverkeer in de EU, een van de hoekstenen van de gemeenschappelijke markt. Hij schermde met een cao-akkoord met de Letse vakbonden. „Dat kunnen ze in Zweden niet zomaar negeren.”

In de zaak-Vinking draait het om de veerpont Rosella, die een verbinding onderhoudt tussen Helsinki (Finland) en Tallinn (Estland). Rosella vaart onder Finse vlag (lees: Fins recht). Dat verplicht Viking tot het afsluiten van een Finse cao, in casu met de vakbond FSU.

Rosella lijdt volgens Viking verlies. Daarom probeerde Viking de veerboot eind 2003 ‘om te vlaggen’ naar Estland. Dan kon volstaan worden met een cao met een Estse vakbond. Die zou ongetwijfeld goedkoper uitpakken, zodat Rosella de concurrentie weer aankon. Daartegen kwam de Finse vakbond in actie. De bond eiste dat de Finse bemanning in dienst zou blijven onder Finse arbeidsvoorwaarden. Daarop stapte Viking naar de rechter, die het Europees Hof inschakelde voor bindend advies.

Ook in deze zaak vreest West-Europa gure oostenwind. „Als Viking in het gelijk wordt gesteld, dan opent zich een doos van Pandora met onaanvaardbare gevolgen”, waarschuwde advocaat M. Brealey van de Finse vakbond. „Het vrije dienstenverkeer en de vrijheid van vestiging geven Viking nog niet het recht werknemersrechten uit te hollen.”

Daar bracht Viking tegenin dat er geen enkele reden is om de Finse sociale politiek een status aparte toe te kennen, aldus advocaat M. Hoskins. „Krijgen de vakbonden hun zin, dan betekent dat een geduchte klap voor de werking van de gemeenschappelijke markt.”

Zowel in de zaak-Laval als in de zaak-Viking gaat het om de principiële vraag hoe ver werknemers en vakbonden mogen gaan in het behartigen van hun belangen. En wanneer is er sprake van ontoelaatbare inbreuk op vrij verkeer van diensten en vrijheid van vestiging in de EU? Daar mag het Europees Hof nu zijn tanden in zetten. Data voor de uitspraken zijn er nog niet.

    • Joop Meijnen