Waar bemoeit Brussel zich mee

Bureaucraten in Brussel zijn in de ban van ‘flexicurity’. Flexibeler werken in ruil voor maximale sociale zekerheid – antwoord op globalisering en vergrijzing. Niet iedereen is geïmponeerd. Men regelt het wel zelf.

Een arbeidsbureau (foto links) in Evry, Frankrijk, dat net als andere grote Europese landen een structureel hoge werkloosheid kent. (Foto’s Bloomberg) Chima Kalai is seen leaving the National Association Job Center in Evry, France on Thursday, November 10, 2005. The 26-year-old with a diploma in computer management has looked for work in Paris for 18 months. After the 150 resumes she sent got her three interviews, Kalai, who is French of Tunisian descent, is bitter. Photographer: Richard Harbus/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Anthony Giddens is terug. Giddens, de goeroe uit het begin van de jaren negentig die veel linkse politici alsnog de weg naar de gedroomde betere wereld wees. Zijn credo was de ‘derde weg’, oftewel een milde mix van socialisme en kapitalisme. Bill Clinton, Tony Blair en Wim Kok brachten die elk op hun geheel eigen manier in de praktijk. En met succes. Wat moest stijgen steeg, wat moest dalen daalde. Alleen met de derde weg zelf ging het minder voorspoedig. Want de derde weg was dermate pragmatisch dat die nooit tot een hechte politieke stroming wist uit te groeien. Enkele jaren later sprak dan ook haast niemand meer over de geslaagde concubine tussen markt en staat.

Maar begin dit jaar meldde de – onder andere aan de London School of Economics verbonden Britse hoogleraar Giddens, die nog altijd een graag geziene gast is op Downing Street 10 – zich weer. Dit keer met een pamflet over de toekomst van het Europees sociaal model. Het mondde enkele maanden later uit in het boek ‘Europe in the Global Age’ waarin Giddens uitgebreid lof toezwaait aan het flexicurity-systeem: de combinatie van flexibiliteit en zekerheid. Flexibiliteit om snel in te kunnen spelen op veranderingen op de arbeidsmarkt en zekerheid als het gaat om de kansen op werk en goede uitkeringsregelingen. Het was volgens Giddens dé manier om het Europees model van sociale markteconomie te kunnen handhaven.

Bij de Europese Commissie in Brussel hoort men niets liever. Flexicurity is het helemaal bij de Europese beleidsmakers. Vorige maand presenteerde Europees commissaris Vladimir Spidla (Sociale Zaken) een discussienota over modernisering van de arbeidswetgeving: hoe kan deze wetgeving zowel in de afzonderlijke lidstaten als op Europees niveau flexibeler worden en tegelijk maximale zekerheid bieden aan werknemers. Dat de arbeidswetgeving van zijn knellende kaders af moet is volgens Spidla evident. „Meer flexibele regelingen zijn essentieel om de gevolgen van de globalisering en de vergrijzing voor onze arbeidsmarkten aan te kunnen”, aldus de oud-premier van Tsjechië. Maar hij voegde hier direct aan toe dat de werknemers niet „vergeten” mochten worden en dat hun roep om zekerheid dan ook moest worden gehonoreerd. Flexicurity dus. Flexibiliteit en zekerheid.

Duitsland, dat dit half jaar het voorzitterschap van de Europese Unie bekleedt, heeft het onderwerp hoog op de agenda geplaatst. „Het is het nieuwe buzzword in Europa”, verzucht bestuurder Catelene Passchier op het hoofdkantoor van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) in Brussel. Nieuw is het voor haar niet. „In de jaren negentig heette het nog het Nederlandse model, nu schijnt het Deense systeem het grote voorbeeld te zijn”, zegt zij. En inderdaad, voor Nederlanders moet de huidige aandacht voor flexicurity wel een déjà vu geven. Het was in 1995 dat de toen net aangetreden minister Ad Melkert van Sociale Zaken een nota onder de titel ‘Flexibiliteit en Zekerheid’ schreef. Kernpunt: de scheve verhouding tussen werknemers in vaste dienst – ontslagbescherming – en werknemers met losse contracten, die nauwelijks bescherming genieten.

Volgens Passchier is dit ook nu de drijvende kracht achter het Europese flexicuritydebat. „De Europese Commissie vindt dat de insiders, de mensen met de vaste banen, te goed beschermd zijn, waardoor de outsiders te weinig kans krijgen.” Passchier noemt dit een „simplistische analyse”. „Iedereen kan toch vaststellen dat arbeidsplaatsen een stuk onzekerder zijn dan vroeger. Dit komt doordat bedrijven tegenwoordig heel anders functioneren.”

De vraag is natuurlijk wat Europa er mee aan moet. In zijn nota zet Spidla uiteen dat de samenstelling van de arbeidsmarkt in Europa als gevolg van technologische veranderingen en globalisering razendsnel aan het veranderen is en dat daarom naar de bestaande regelgeving gekeken moet worden. Maar is dit niet een zaak voor de nationale lidstaten? Melkerts notitie uit 1995 bijvoorbeeld leidde enkele jaren later – nadat werkgeversorganisaties en vakbonden hierover een akkoord hadden bereikt – tot aangepaste wetgeving in Nederland: de ontslagregels werden versoepeld en tegelijkertijd werden werknemers zonder vaste arbeidscontracten minder vogelvrij.

Spidla erkent de bevoegdheid van de lidstaten op dit punt. Maar, zo schrijft hij in zijn nota, „de Europese Unie moet er zorg voor dragen dat op bepaalde terreinen sprake is van een voor iedereen gelijk speelveld”. AlsEuirop voorbeeld noemt hij het informeren en consulteren van werknemers over hun arbeidsomstandigheden.

Dit is precies waar werkgevers beducht voor zijn. Thérèse de Liedekerke, directeur sociale zaken van de Europese werkgeversorganisatie Unice, waarschuwt voor te veel Europese bemoeienis. „Afspraken over flexicurity moeten vooral op nationaal niveau worden gemaakt”, zei zij onlangs. De Commissie wil volgens haar te veel vanuit Brussel voorschrijven hoe de arbeidwetgeving gemoderniseerd dient te worden, terwijl de problemen veelal voortkomen uit nationale wetgeving. Eerder hadden de werkgevers de Europese Commissie verweten via een omweg de arbeidswetgeving in Europa te willen harmoniseren. Als het aan hen ligt zal het debat over flexicurity beperkt blijven tot het uitwisselen van goede ideeën en ervaringen tussen de Europese lidstaten.

Dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen met uniforme Europese regels bewijst de gang van zaken rond de arbeidstijdenrichtlijn (zie: Muurvast).

Volgens Catelene Passchier zullen de verschillende opvattingen binnen de Europese Unie welhaast automatisch leiden tot verdere bescheidenheid van Brussel. Het debat over flexicurity zal niet tot allemaal nieuwe Europese wetgeving leiden, verwacht zij. En dat hoeft ook niet. „Ik zou er geen bezwaar tegen hebben als de Europese Commissie de conclusie trekt dat afspraken op dit terrein vooral moeten worden overgelaten aan de betrokken cao-partners.”