Pareltjes in omnibus-film over het o zo mooie Parijs

Paris je t’aime. Regie: Olivier Assayas tot Nobuhiro Suwa. Met: van Fanny Ardant tot Elijah Wood. In: Tuschinski, Amsterdam; Lux, Nijmegen; Lantaren/Venster, Rotterdam.

Hoe begin je te vertellen over een film waar 22 regisseurs aan hebben meegewerkt en die uit zeventien korte schetsen bestaat, zeg vijf minuten per filmpje? Dat is even zinloos als in zeventien filmpjes proberen heel Parijs te vangen.

Paris je t’aime is de wat dweperige titel van een omvangrijk project waar gerenommeerde en interessante regisseurs aan meewerkten als de gebroeders Coen, Tom Tykwer, Walter Salles, Gus van Sant, Alexander Payne en even interessante acteurs als Gena Rowlands, Gérard Depardieu, Marianne Faithful, Natalie Portman, Elijah Wood en Steve Buscemi.

Er zitten prachtige en ergerlijke filmpjes tussen, maar dat is altijd zo bij de omnibusfilm (zie de rubriek Bijzien). Samen tellen ze warempel op tot een soort authentieke sfeer waar het bijvoorbeeld het even ambitieuze All the Invisible Children (oa Spike Lee, Ridley Scott) zo pijnlijk aan ontbrak.

Paris je t’aime begint met een tere ontmoeting van twee geknakte zielen in een opstopping in Montmartre, geregisseerd door Bruno Podalydès. Het eindigt met een algehele liefdesverklaring aan de stad van een Amerikaanse toeriste die zichzelf de taal net machtig heeft gemaakt en op een bankje in het veertiende arrondissement geniet, in een filosofisch moment dat Alexander Payne (van Sideways) voor haar bedacht.

Mij beviel het schetsje van Walter Salles en Daniela Thomas het beste. Zij filmden een werkende moeder op weg naar en op haar schoonmaakadres in een peperdure wijk. Het verlangen naar haar kind, de eenzaamheid van alle gefilmden en toch het gevoel dat geluk om de hoek ligt als je maar goed kijkt. Het is een wonderlijke sfeer die Salles en Thomas scheppen, maar het is echt en niet iets van tussen de filmlampen.

De broers Coen hebben weer het andere uiterste gedaan. Zij zetten Steve Buscemi in een metrostation en laten hem getuige zijn van een knallende ruzie tussen meisje en jongen. Zijn behoefte om goed te doen helpt niemand, en wel minst van alles hemzelf. Typerend voor de Coen broers, typerend voor Buscemi. Heel sureëel en met oog voor de schoonheid van het alledaagse.

Dit zijn maar vier schetsjes, Paris je t’aimepuilt uit van de pareltjes. En bij de hinderlijke, zelfingenomen bijdragen van bijvoorbeeld Christopher Doyle of de wel heel koddige van Sylvain Chomet kun je gewoon vijf minuten de ogen sluiten en dan is het al voorbij.

    • Bas Blokker