Mopshond

Sommige dromen zijn zo onzinnig dat je ze weer even snel vergeet als je ze gedroomd hebt, maar er zijn af en toe zulke rare spinsels bij dat je de hele volgende dag denkt: hoe kwam ik daar nou bij?

Zo vond ik me laatst midden in de nacht terug voor de ingang van een groot hotel, waar president Bush een persconferentie zou houden. Ik wilde juist met andere persmuskieten over de drempel stappen, toen een veiligheidsman riep: „Stop, jullie komen er niet in, want jullie dragen geen kostuum met stropdas.” En hoe we ook protesteerden, we mochten niet naar binnen. Tot onze grote verontwaardiging werd een groepje tv-mensen wél toegelaten. „Ja, maar dat is televisie, die gaan voor”, zei de veiligheidsman.

Hier houdt de droom op, wat over het algemeen ook mijn bezwaar is tegen dromen: ze houden op als het interessant begint te worden. Juist als je met een geheimzinnig lachende vrouw na eindeloos oponthoud de zoom van een bloeiende zomerweide hebt bereikt, gaat het beeld op zwart en zegt een bekende vrouwenstem naast je: „Schop niet zo.”

De droom met Bush was zo zonderling dat ik verbeten op jacht ging naar de oorsprong. Had ik ooit vurig verlangd naar een persconferentie met president Bush of een andere beroemde autoriteit? Nee, nooit. Was ik eerder ergens geweigerd omdat ik geen deftig kostuum droeg? Ik kon het me niet herinneren, al is het wel waar dat ik me liever informeler kleed.

Met die voorkeursbehandeling van tv-journalisten lag het anders. Dat had ik wel eens meegemaakt en het had me inderdaad geërgerd. Ik voelde dat ik de sleutel naderde die op het slot van deze droom paste. Welk verhaal of beeld had me de laatste dagen het meest getroffen? Sigmund, help me, bad ik, en opeens zag ik het voor me: het schilderij op de Hermitage in Amsterdam.

U ziet het hierboven afgebeeld. Het heet ‘Mopshond zittend op een fauteuil’ en het is in 1857 geschilderd door Alfred de Dreux. Al meteen, op het eerste gezicht, is het een grappig, cartoonachtig doek: die arrogante hond die, de voorpoten zelfvoldaan over elkaar gevouwen, een chique stoel in beslag neemt, alsof hij de huiseigenaar zelf is.

Er hoort een verklaring bij die het schilderij nóg interessanter maakt. Het is een satirisch doek waarmee de schilder de Franse hoofdredacteur Hyppolyte de Villemessant (1812-1879) belachelijk wilde maken. De Villemessant was berucht om zijn vulgariteit, een eigenschap die hem juist in staat had gesteld van de noodlijdende Le Figaro een zeer populaire krant te maken.

Een hoofdredacteur als mopshond. Geen pretje als het je overkomt, maar het is ook een signaal dat de schrijvende pers toen nog het primaat onder de media had. Een hedendaagse schilder zou een tv-tycoon tot mikpunt van zijn spot maken. Of droom ik nu weer?