Linkse latino’s blijven verdeeld

Chávez begint vandaag aan een nieuwe ambtstermijn in Venezuela. Hij en zijn collega Lula in Brazilië bepalen het politieke pad in Latijns-Amerika: ramkoers of middenkoers.

Twee progressieve stuurlui bepalen de komende jaren de politieke koers van Latijns-Amerika: de president van het grootste land uit de regio, de Braziliaan Luiz Inácio Lula da Silva, en de schatolierijke Hugo Rafael Chávez Frias uit Venezuela. Beide leiders beginnen deze maand aan nieuwe ambtstermijnen die tot 2011 (Lula) en 2013 (Chávez) zullen duren. Maar als je de twee socialistische politici vraagt wat hun linkse voorkeur eigenlijk inhoudt, is het antwoord nogal verschillend.

„Ik ben rood, knalrood”, is sinds kort de favoriete leuze van de marxistische oliehandelaar Chávez (52). En voor degenen met een andere overtuiging is geen plaats in zijn Bolivariaanse republiek. Strategische bedrijven worden genationaliseerd en tv-zenders die subversief, kritisch bezig zijn, krijgen geen zendvergunning meer. Allemaal maatregelen, aldus een strijdbare Chávez eergisteren bij de presentatie van zijn regering, die noodzakelijk zijn in de „nieuwe etappe op de weg naar het socialisme van de 21ste eeuw.”

Maar de tweede etappe van de Braziliaanse president Lula (61) zal juist een steeds mildere politicus te zien geven. „Op de vraag of ik links of rechts ben, zeg ik in de eerste plaats: ik ben machinebankwerker van opleiding, katholiek van overtuiging en supporter van de voetbalclub Corinthians.”

Links tromgeroffel is op een zeker moment nogal ouderwets, verklaarde Lula vorige maand kort na zijn herverkiezing voor een zaal vol ondernemers in São Paulo. „Menselijke evolutie” heeft de voormalige vakbondsleider – die in 1980 oprichter was van de grootste radicaal linkse partij van Latijns-Amerika (Partido dos Trabalhadores) – veranderd. „Als een erg volwassen persoon zegt dat hij links is, heeft hij persoonlijke problemen. Hetzelfde geldt voor een jong iemand die zegt dat hij rechts is. Alleen een middenkoers helpt de maatschappij vooruit.”

Latijns-Amerika heeft een druk jaar van presidentsverkiezingen achter de rug. En op Colombia, Peru en Mexico na – waar linkse kandidaten soms nipt verloren – ging de winst in vrijwel alle andere gevallen in de regio – zoals in Chili, Bolivia, Haïti, Nicaragua, Ecuador, Brazilië en Venezuela – naar socialistische politici.

Over Latijns-Amerika spoelt een linkse tsunami, schreef de ex-minister van Buitenlandse Zaken van Mexico Jorge Castañeda vorig jaar in Foreign Affairs. Het is een natuurlijk proces. De electorale vijver voor progressieve kandidaten die beloven een einde te maken aan de armoede is immers omvangrijk.

Op het continent is de kloof tussen arm en rijk groot en neemt zelfs nog steeds toe. In elke stad in de regio is dat pijnlijk zichtbaar: gruwelijke, stinkende grote sloppenwijken aan de ene kant en exclusieve, hoog omhuurde gesloten buurten voor de rijken. Ruim 300 miljoen latino’s, meer dan de helft, leven in extreme armoede.

Behalve de belofte een einde te maken aan die verpaupering is er nog een thema waarmee de nieuwe generatie leiders politiek scoort. Ze zetten zich af tegen de VS en de door Amerika gewenste vrijhandelszone voor het hele continent. De grote noorderbuur staat voor neoliberale politiek en privatiseringen die, zo is het algemene gevoelen, in de jaren negentig in Latijns-Amerika alleen de toch al welgestelde medemensen profijt hebben gebracht.

En de huidige president George W. Bush geniet nog eens extra weinig populariteit. Bush is de man die vorig jaar besloot tot de bouw van een 1.200 kilometer lang dubbel hekwerk om de instroom van latino’s via de grens met Mexico tegen te gaan. Het dichtmetselen van de achterdeur illustreert de Amerikaanse desinteresse voor de rest van het continent.

De populariteit van Chávez is voor een belangrijk deel te danken aan zijn niet aflatende ramkoers tegenover de VS. Veel latino’s zijn dol op de bravoure van de voormalige militair. Bush is de duivel, zei Chávez in de VN vorig jaar. Volgens de linkse Uruguayaanse schrijver Eduardo Galeano is een van de belangrijkste verdiensten van de huidige socialistische golf dat de latino’s „de angst hebben overwonnen om zich te keren tegen de zogenaamd almachtige Amerikanen.”

Maar lang niet alle linkse politici delen die afkeer van de VS. Het economisch meest succesvolle land in de regio, het socialistische Chili van president Michelle Bachelet, heeft een vrijhandelsakkoord met Amerika. De linkse president Tabaré Vázquez van Uruguay overweegt het lidmaatschap van het kwakkelende regionale samenwerkingsverband Mercosur in te ruilen voor economische verdragen met Washington.

Ook Brazilië wijst op dit moment een vrijhandelsverdrag met de VS af maar dat is niet ingegeven door ideologische motieven. Lula vindt dat Zuid-Amerika eerst meer moet integreren voordat handelsverdragen met de VS voor beide partijen profijtelijk uitpakken.

En het linkse front van Latijns-Amerika is in meer opzichten verdeeld. Chávez voert op binnenlands terrein een radicaal-linkse en confronterende agenda. Hij is dol op ruziemaken met de oppositie, met de kerk en met het bedrijfsleven. De president wil de representatieve democratie vervangen door een participerende waarbij bijvoorbeeld buurtraden het lokaal voor het zeggen krijgen. Hij wil per decreet revolutionair kunnen regeren.

De bonte coalitie van meer dan twintig linkse partijen die zijn herverkiezing steunden, moeten opgaan in de net opgerichte Socialistische Eenheidspartij. Dan kan de revolutie efficiënter worden aangestuurd, redeneert Chávez. Zijn critici zien het als de opmaat van de overgang naar het model van een Cubaanse éénpartijstaat. „Chávez is een despoot”, zei oppositieleider Rosales gisteren.

Chávez’ voornaamste regionale vrienden zijn Evo Morales in Bolivia, Daniel Ortega in Nicaragua, Rafael Correa in Ecuador, de gebroeders Castro in Cuba en Néstor Kirchner in Argentinië. „Autoritaire en ondemocratische populisten”, zoals Castañeda ze noemt. „Politici wier beleid bestaat uit het vergaren van steeds meer macht in plaats van het creëren van macht om beleid te maken.”

De linkse politiek van de socialistische presidenten van bijvoorbeeld Chili, Uruguay en Brazilië is evenwel veel minder gebaseerd op ideologische scherpslijperij. Het zijn pragmatici die in binnen- en buitenland bereid zijn samen te werken met conservatieve politici.

De komende tijd zal blijken of beide groepen de meningsverschillen overbruggen of juist verder uit elkaar groeien. Officieel is de verstandhouding tussen bijvoorbeeld Lula en Chávez opperbest. Maar off the record zuchten Braziliaanse diplomaten vermoeid als de Bolivariaanse leider ter sprake komt. Ze zeggen dat de ervaren Lula handen en voeten nodig heeft om Chávez in toom te houden. De relatie tussen de vaderlijk milde Lula en de onstuimige Chávez bepaalt voor een groot deel de politieke toekomst van het continent.