Li is in Zweden, niet in Europa

Europese landen houden zelf zeggenschap over immigratie, niet Brussel.

Dat bleek gisteren uit een arrest van het Hof van Justitie.

Het Europese Hof van Justitie in zitting. Foto Roel Rozenburg Luxemburg,10.1.6 Europees Hof van Justitie. © Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Lidstaten van de Europese Unie mogen zelf blijven bepalen hoe streng ze willen zijn bij het toelaten van ‘derdelanders’ die naaste familie zijn van EU-burgers. De poging van de Europese Commissie om de speelruimte van de EU-landen te beperken is mislukt.

Dat is de uitkomst van de zogenoemde zaak-Jia, waarin het Europees Hof van Justitie in Luxemburg gisteren arrest wees. Het Hof verwierp het pleidooi van de Europese Commissie om ‘derdelanders’ die nauw verwant zijn aan EU-burgers, zoals hun ouders, na binnenkomst in de EU min of meer automatisch recht op vrij reizen en verblijven binnen de EU toe te kennen.

Nederland is, blijkens een eerste reactie, niet helemaal tevreden, omdat het Hof een uitdrukkelijk Haags verlangen niet heeft gehonoreerd. Maar Nederland is evenmin ontevreden, want de zeggenschap over toelating van derdelanders die naaste familie zijn van EU-burgers blijft een zaak van de afzonderlijke EU-landen. En dat wilde Den Haag ook.

Derdelanders zijn migranten uit landen die niet in de EU zitten. De EU streeft sinds 1999 naar een gemeenschappelijke aanpak van asiel en immigratie, maar het gelijktrekken van de nationale procedures gaat moeizaam.

De Europese Commissie zag in de zaak-Jia een mogelijkheid om de nationale verschillen bij een deelgroep (derdelanders die naaste familie zijn van EU-burgers) wat te verkleinen. Dat is niet gelukt.

In de zaak-Jia gaat het om de Chinese ouders, moeder Yunying Jia (65) en vader Yupu li (66) van de Chinees Shenzi Li die op zijn beurt is gehuwd met de Duitse Svanja Schallehn. Dit Chinees-Duitse echtpaar woont sinds 1995 in Västeras in Zweden, waar ze een reisbureautje hebben.

Moeder en vader Li kwamen in 2003 op toeristenvisa naar Zweden. Ze wilden blijven, maar hun verzoek daartoe werd afgewezen. Ze gingen in beroep bij de Zweedse uitzettingsdienst Utlänningsnämnden, die de zaak voorlegde aan het Europees Hof voor een bindende uitspraak over enkele Europeesrechtelijke aspecten.

Zo was het een open vraag of een derdelander die naaste familie is van een EU-burger eerst legaal in de EU moet verblijven alvorens aanspraak te kunnen maken op een permanent verblijfsrecht. Nederland hechtte sterk aan zo’n voorwaarde en had er via het Hof in Luxemburg graag Europese reikwijdte aan gegeven.

Maar het Hof honoreert dit Haagse pleitdooi niet. De Europese spelregels verplichten niet tot zo’n voorafgaand legaal verblijf. De lidstaten mogen die voorwaarde wel stellen, maar het hoeft niet, aldus het Hof.

Onduidelijk was hoe zwaar moest wegen dat Shenzi en Svanja de zorg voor vader en moeder Li op zich hadden genomen, omdat het ouderlijk inkomen te laag zou zijn geweest om in China van te kunnen leven.

Ook hier hebben de lidstaten volop speelruimte, oordeelt het Hof. Enerzijds mogen ze genoegen nemen „met elk passend middel” dat de noodzaak van financiële ondersteuning aantoont. Anderzijds hoeven ze de simpele verklaring dat een EU-burger zorgt voor een buitenlands familielid niet als „bewijs van een reële afhankelijkheid” te aanvaarden.

Tenslotte was mogelijk ook de reis- en verblijfsvrijheid van EU-burgers in het geding. Want wat heb je aan die eurorechten als ze worden gefrustreerd door lidstaten die hindernissen opwerpen voor familieleden uit derde landen?

Het Hof concludeert hierover de EU-burgerrechten niet zo ver gaan, dat ze automatisch prevaleren boven de bevoegdheid van lidstaten om beperkingen op te leggen aan de immigratie van naaste familie.

Voor vader en moeder Li biedt het Luxemburgse arrest geen ondubbelzinnig uitzicht op een permanente verblijfsvergunning. Want dat was en dat blijft met dit arrest geheel een zaak van de Zweedse autoriteiten.

Lees het arrest van het Hof op: www.curia.eu (zaak C-1/05)

    • Joop Meijnen