Ik zie gekken

Is het zorgwekkend als je vaak door eigenaardige onbekenden wordt benaderd? Sommige vrienden en verwanten beweren dat ik een zogeheten ‘weirdo magnet’ ben. Meestal lachen zij fijntjes bij deze mededeling, waarmee zij vermoedelijk insinueren dat deze aantrekkingskracht iets duidelijk maakt over mijn eigen geestelijke gezondheid. Het is mogelijk. Ik dacht lang dat er gewoon zoveel gekken los lopen – in zekere zin meer dan zes miljard – dat het geen wonder is dat je nu en dan door een van hen wordt vastgeklampt. Maar naar verluidt overkomt dat niet iedereen.

Misschien heeft het iets met mijn werktijden te maken, met de vrijheid om mij al wandelend in een park te begeven wanneer de meeste mensen in kantoren of wagens vertoeven. Daar kom ik ze meestal tegen, de gekken (naast de vele hondenliefhebbers, maar daar wijdde ik al eens een column aan). Een paar van hen zijn waanzinnig geworden door alcohol. Zij komen samen op en rond een bankje en drinken daar van de ochtend tot de avond halve liters bier. Soms lijzig, soms heel vrolijk. Zij becommentariëren voorbijgangers. Een van hen bleef een tijdje overnachten in een tent naast het bankje, maar dat doet hij nu niet meer, waarschijnlijk is het verboden.

Een vriendin van de dronkaards is een schizofrene mevrouw die vaak aan de wandel is met een hond, waarvan zij steeds nadrukkelijk beweert dat hij niet van haar is. Van tijd tot tijd komt deze vrouw mij iets vertellen over een kennis van haar die alles met de maffia en de veiligheidsdienst heeft te maken. Wat ons volgens haar niet moet verbazen, want de man is een Egyptenaar.

„Eén druk op de knop, één”, fluisterde zij mij op een zachte herfstmiddag in het oor. Zij voegde er nog aan toe dat zij wist waar ze hem kon vinden, die knop.

Vanochtend nog, toen ik in de regen het park uit wandelde, kwam een meisje heel dicht bij mij staan. Zij vroeg hoe laat het was. Ik deelde haar beleefd mee dat ik geen horloge of mobiele telefoon bij me had maar dat ik schatte dat het negen uur was. Mijn onzekerheid over het juiste tijdstip maakte haar klaarblijkelijk zeer bedroefd. Terwijl zij traag achteruit schreed, bleef zij mij met een gelaten, haast getormenteerde blik observeren. Het bracht mij zeer van mijn stuk dat ik de dag was begonnen met het veroorzaken van een verpletterende teleurstelling. Panisch keek ik om mij heen, op zoek naar een klok. Tot mijn verbazing hing er een leesbare in het eethuis aan de overkant.

„Kijk”, zei ik, „Het is vijf over negen. Daar hangt een klok.”

„Waar!?”, riep zij geestdriftig.

Ik wees naar de klok. Zij volgde mijn vinger. Daarna kwam zij voor mij staan, nog dichterbij dan toen zij gevraagd had hoe laat het was. Even dacht ik dat ze mij zou kussen, maar dat deed zij niet. Wel glimlachte zij zeer traag en breed en liepen haar ogen vol met wat ik alleen maar als ontzag kan omschrijven. Het had niets vijandigs, ze leek op een lieve manier gestoord. Al kon ik mij niet aan de indruk onttrekken dat zij mij probeerde te hypnotiseren. Ik ondervond enige moeite om haar achter te laten. Zij deed nog drie stappen in mijn richting maar bleef toen toch staan.

Geregeld denk ik dat de waanzin de wereld definitief in haar greep heeft gekregen. Maar dat is dus niet zo. Mijn vrienden en verwanten zien de gekken niet. Alleen mij zoeken ze op. Het zou zelfs goed kunnen dat ik hen enkel in mijn hoofd heb gesproken.

    • Annelies Verbeke