Een stap verwijderd van Europees migratiebeleid

EU-landen willen graag een gezamenlijk immigratiebeleid gaan voeren. Dat is een moeizaam proces. Een uitspraak van het Europees Hof maakt de kwestie niet makkelijker.

Lidstaten van de Europese Unie mogen zelf blijven bepalen hoe streng ze willen zijn bij het toelaten van immigranten van buiten de EU die naaste familie zijn van EU-burgers. De poging van de Europese Commissie om de speelruimte van de EU-landen te beperken is mislukt.

Dat is de uitkomst van de zogenoemde zaak-Jia, waarin het Europees Hof van Justitie in Luxemburg gisteren arrest wees. Het Hof verwierp het pleidooi van de Commissie om zogeheten ‘derdelanders’ die nauw verwant zijn aan EU-burgers, zoals hun ouders, na binnenkomst in de EU min of meer automatisch recht op vrij reizen en verblijven binnen de EU toe te kennen.

Nederland is, blijkens een eerste reactie, niet helemaal tevreden, omdat het Hof een uitdrukkelijk Haags verlangen niet heeft gehonoreerd. Maar Nederland is evenmin ontevreden, want de zeggenschap over toelating van derdelanders die naaste familie zijn van EU-burgers blijft een zaak van de afzonderlijke EU-landen. En ook dat wilde Den Haag.

Het Hof van Justitie in Luxemburg is de hoogste rechter in de Europese Unie. Zijn belangrijkste taak is om op verzoek van een nationale rechter een (bindende) uitspraak te doen over de interpretatie van Europese rechtsregels. De procedure in Luxemburg verloopt overwegend schriftelijk. Achter de schermen wisselen de partijen hun standpunten uit en na verloop van tijd wijst het Hof arrest. Niet alleen de direct betrokkenen zijn partij in een rechtszaak. Europees recht is verdragsrecht, en daarom mogen alle verdragspartners – dat wil zeggen: alle 27 EU-landen én de Europese Commissie – hun zegje doen over de principiële zaken die het Hof krijgt voorgelegd, dus ook Nederland.

Nederland verzette zich, met het Verenigd Koninkrijk, van meet af aan tegen het oprekken van Europese bevoegdheden bij de immigratie van derdelanders – migranten uit landen die geen lid zijn van de EU.

De kwestie ligt gevoelig. De Europese landen streven sinds 1999 naar een gemeenschappelijke aanpak van asiel en immigratie. Tot dusver concentreert de Europese bemoeienis zich op het gelijktrekken van de nationale procedures.

Maar deze harmonisatie gaat moeizaam en de Europese Commissie zag in de zaak-Jia een mogelijkheid om de nationale verschillen bij de beoordeling van immigratieverzoeken bij een deelgroep (derdelanders die naaste familie zijn van EU-burgers) wat te verkleinen. Dat is niet gelukt.

In de zaak-Jia gaat het om de Chinese ouders, moeder Yunying Jia (65) en vader Yupu Li (66), van de Chinees Shenzi Li die op zijn beurt is gehuwd met de Duitse Svanja Schallehn. Dit Chinees-Duitse echtpaar woont sinds 1995 in Västeräs in Zweden, waar ze een reisbureautje drijven.

Moeder en vader Li kwamen in 2003 op toeristenvisa naar Zweden. Ze wilden blijven, maar hun verzoeken daartoe werden door de Zweedse dienst Migrationsverket afgewezen. Ze gingen in beroep bij de Zweedse uitzettingsdienst Utlänningsnämnden, die de zaak voorlegde aan het Europees Hof om een bindende uitspraak te krijgen over enkele Europeesrechtelijke aspecten.

Zo was het een open vraag of een derdelander die naaste familie is van een EU-burger eerst legaal in de EU moet verblijven, alvorens aanspraak te kunnen maken op een permanent verblijfsrecht. Nederland hechtte sterk aan zo’n voorwaarde en had er via het Hof in Luxemburg graag Europese reikwijdte aan gegeven.

Maar het Hof honoreert dit Haagse pleidooi niet. De Europese spelregels verplichten niet tot zo’n voorafgaand legaal verblijf. De lidstaten mogen die voorwaarde stellen, maar het hoeft niet, aldus het Hof.

Verder was onduidelijk hoe zwaar moest wegen dat Shenzi en Svanja de zorg voor vader en moeder Li op zich hadden genomen, omdat het inkomen van de ouders te laag zou zijn geweest om in China van te kunnen leven.

Ook hier bieden de Europese regels de lidstaten volop speelruimte, oordeelt het Hof. Enerzijds mogen ze genoegen nemen „met ieder passend middel” dat de noodzaak van financiële ondersteuning aantoont. Anderzijds hoeven ze de simpele verklaring dat een EU-burger zorgt voor een familielid uit een derde land niet als „bewijs van een reële afhankelijkheid” te aanvaarden.

Ten slotte was mogelijk ook de reis- en verblijfsvrijheid van EU-burgers in het geding. Want wat heb je aan die eurorechten als ze worden gefrustreerd door lidstaten die hindernissen opwerpen voor buitenlandse familieleden?

Het Hof concludeert hierover dat de EU-burgerrechten niet zo ver gaan, dat ze automatisch prevaleren boven de bevoegdheid van lidstaten om beperkingen op te leggen aan de immigratie van naaste familie.

Voor vader en moeder Li biedt het Luxemburgse arrest geen ondubbelzinnig uitzicht op een permanente verblijfsvergunning. Want dat blijft met dit arrest geheel een zaak van de Zweedse autoriteiten.

    • Joop Meijnen