De omnibus als stervehikel

Paris je t’aime is een omnibusfilm: meerdere segmenten, door diverse regisseurs gemaakt. Ze bestaan al sinds de jaren tien van de vorige eeuw en vormen een miskend genre.

Beelden van omnibusfilms scene uit de film Paris, je t'aime (2006) FOTO: A-Film A-Film

Het zien van een omnibusfilm levert altijd dezelfde vraag op: welke episode van welke regisseur is het beste? Door de wisselende kwaliteit van de bijdragen vinden critici de omnibusfilm – die ook wel door het leven gaat als portmanteaufilm, collectieve film of anthologie – altijd onevenwichtig. Er is nauwelijks onderzoek naar het fenomeen verricht en in filmgeschiedenisboeken wordt altijd hetzelfde dozijn films genoemd, áls ze al worden behandeld.

Ze vallen tussen wal en schip omdat ze meestal uit de koker komen van een producent die graag beroemde filmmakers beroemde sterren laat regisseren, want hun namen doen het nu eenmaal goed aan de kassa. Het commerciële belang prevaleert over het artistieke.

Toch is de omnibusfilm een interessant fenomeen. Eerst even de definitie: het is goed om onderscheid te maken tussen films die zijn gemaakt door één regisseur, met meerdere episodes, of het samenbrengen van een aantal korte films van verschillende regisseurs onder één titel – zoals in de omnibusfilm. Een van de eerste ‘episodenfilms’ is D.W. Griffiths Intolerance (1916). Griffith illustreerde in vier historische tijdvakken het begrip ‘intolerantie’, waardoor de film als geheel toch een eenheid is. Dit conceptuele idee van een overkoepelend thema dat eenheid schept is belangrijk, alle omnibusfilms hebben dit. In Paris je t’aime is het bindende idee simpelweg de stad en haar arrondissementen, à la de verhalen uit New York Stories (Scorsese, Allen, Coppola, 1989).

Naar schattingen zijn er ruim 400 omnibusfilms gemaakt, relatief de meeste in de jaren zestig toen er met name in Italië veel werden gemaakt, waaronder Boccaccio ’70, met bijdragen van Federico Fellini, Luchino Visconti, Vittorio de Sica en Mario Monicelli – de episode van laatstgenoemde werd er in de meeste landen uitgeknipt, een ruw lot dat veel segmenten uit omnibusfilms is beschoren.

In Nederland produceerde Matthijs van Heijningen twee omnibusfilms: Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (met een prachtig segment van Nouchka van Brakel, 1975) en Alle dagen feest (o.m. Ate de Jong en Orlow Seunke, 1976).

Binnen de omnibusfilms zijn ook weer trends te onderscheiden: Britten en Aziaten maken graag horror, zoals Dead of Night (Cavalcanti, Crichton, Dearden, Hamer, 1945). De Italianen filmen liefst rond een maatschappelijk thema en de animatie-omnibus is sinds Disney’s Fantasia (1940) ook niet meer weg te denken.

In de jaren zestig en zeventig zagen veel collectieve politieke films het licht, zoals Loin du Viêt-nam (o.m. Ivens, Godard, Lelouch, 1967) en Deutschland im Herbst (o.m. Fassbinder, Reitz, Schlöndorff, 1978). De politieke omnibusfilm keerde begin deze eeuw terug met 11’09’’01 - September 11 (elf regisseurs met filmpjes van 11 minuten, 9 seconden en 1 beeldje), en in Nederland 26.000 gezichten, over het asielbeleid. Maar welk filmpje is nou het beste?

    • André Waardenburg