Dagdromen over succes

Waarom heeft een land als Suriname, met zoveel voetbaltalent, zich nooit geplaatst voor het WK?

Geen geld, geen Surinamegevoel en vooral een groot gebrek aan discipline.

Op het Seedorf Sportcomplex is ook veel kritiek. Foto Rob Schoof Schoof, Rob

Aan een muur in het hoofdkwartier van de Surinaamse Voetbalbond (SVB) hangt een elftalfoto van Oranje, genomen vóór de oefenwedstrijd Nederland-Ecuador, van 1 maart 2006. In deze omgeving dagdroomt bondscoach Kenneth Jaliens wel eens over een nieuw nationaal voetbalelftal: Kenneth Vermeer, Kew Jaliens, Urby Emanuelson, Michael Reiziger, Dwight Tiendalli, Edgar Davids, Clarence Seedorf, Nigel de Jong, Patrick Kluivert, Ryan Babel en Romeo Castelen.

Met zo’n team, eventueel gecoacht door Frank Rijkaard en Henk ten Cate, het succesrijke duo van Barcelona, had Suriname zich moeiteloos gekwalificeerd voor het laatste WK. Maar de realiteit is anders. Suriname eindigde vorig jaar als 122ste op de wereldranglijst van de FIFA, achter Malta, Rwanda en Burundi. Terwijl de vijver van Surinaams-Nederlandse topvoetballers overloopt, worstelt Suriname zich met moeite langs de Nederlandse Antillen en Grenada. Een poule met Martinique, Cuba en Haïti bleek een maatje te groot in het Caraïbische landentoernooi.

„Een poule des doods”, verdedigt Kenneth Jaliens zich op een persconferentie voor de Surinaamse pers. De oom van de Oranje-international legt verantwoording af aan drie cameraploegen en vijftien journalisten; geen enkele Surinaamse journalist zag brood in de reis naar Martinique, waar Suriname de wedstrijden speelde. „We hebben de volgende ronde niet gehaald. Dat vind ik een doorn in mijn eigen oog”, begint Jaliens. „De kaars is uitgegaan, maar we hebben nog steeds lucifers op zak.”

De journalisten morren. Heeft Jaliens wel het goede systeem gekozen? Waarom verschijnen de spelers niet op de training? En hoe kon het gebeuren dat een speler niet mee kon naar Martinique omdat zijn paspoort was verlopen? „Dat is al eerder gebeurd met één van onze topspitsen”, memoreert een verslaggever.

Ook om andere redenen was Jaliens’ voorbereiding niet ideaal. Hij werd plotseling voor de groep gezet na het ontslag van Leo Koswal, vader van de oud-voetballer van onder meer Excelsior, Vitesse, Emmen en Dordrecht. Hij had zes spelers uit de selectie gezet omdat ze waren weggebleven bij een training. „Discipline is een groot probleem in ons voetbal”, zegt Koswal.

Maar op Koswals maatregel volgde een spelersstaking. „Toen heb ik alle spelers er uitgezet. Ik dacht: ik ga wel verder met het jeugdelftal.” Maar zo gemakkelijk ging dat niet, want de SVB ontsloeg Koswal op staande voet. Koswal eist nu een schadevergoeding van 14.000 dollar. Hij vindt dat hij zijn werk goed heeft gedaan.

Kenneth Jaliens vraagt zich wel eens af hoe het mogelijk is dat een volk met zoveel voetbaltalent zich nog nooit heeft geplaatst voor een WK. Hoewel alle Surinaams-Nederlandse topvoetballers zich het lot van het Surinaamse voetbal aantrekken, kiezen zij al sinds Humphrey Mijnals (1960) voor Oranje, omdat de kans op succes daar groter is. Jaliens begrijpt de keuze van zijn neef Kew. „Je moet realistisch zijn. Hij is in Nederland geboren, zijn ouders wonen er al 35 jaar. Als Surinaamse Nederlanders hier zijn, gaan de emoties spelen en zeggen ze dat ze graag voor Suriname hadden gespeeld.”

Er is ook een praktische reden waarom ze voor Nederland kiezen: ze hebben alleen een Nederlands paspoort. In tegenstelling tot andere Caribische landen geeft Suriname ‘buitenlanders’ geen paspoort om voetbalredenen. „Doodzonde”, zegt SVB-voorzitter Louis Giskus. „Spelers uit Trinidad met de Engelse nationaliteit spelen wel voor Trinidad. Dat is politiek. Onze regering wil het niet.”

De grote Oranje-sterren zijn al verloren voor Suriname, maar Jaliens zou blind tekenen voor de tweede of derde garnituur uit Nederland. „De jongens die Oranje mogelijk niet halen, zoals Serginho Greene, Dwight Tiendalli, Edson Braafheid, Orlando Engelaar. We zouden veel sterker zijn.”

Volgens de hoogste sportambtenaar, Ronald Poelsingh, is het voor de Surinaamse politiek een kwestie van loyaliteit; een blaka bakra, een ‘zwarte Hollander’, moet in Suriname vaak uitleggen waarom hij in Nederland woont. „Dergelijke spelers missen het Surinamegevoel. Ze zouden kiezen voor Suriname omdat ze Oranje niet halen. Dat wil men hier niet.”

Het tekent de ambivalente houding ten opzichte van de gouden generatie van Surinaamse Nederlanders: enerzijds is Suriname trots op Gullit, Rijkaard en Seedorf, anderzijds heerst het gevoel dat het land er weinig aan overhoudt.

Een voorbeeld daarvan ligt dertig kilometer ten zuiden van Paramaribo. Een kolossale foto bij de poort vestigt de aandacht op het smetteloos witte Clarence Seedorf Sportcomplex. Hij liet het in 2001 bouwen als ‘geschenk aan Suriname’. Maar inmiddels wordt daar anders over gedacht. „Het stadion is helemaal niet voor Suriname”, zegt Koswal. „Clarence heeft het voor zichzelf gebouwd, voor zijn familie en vrienden, zodat ze een balletje kunnen trappen. Het is een investering. Er is nog nooit een competitiewedstrijd gespeeld, er is geen voetbalschool. Hij had beter geld kunnen steken in een jeugdopleiding.”

Het werpt ook bij anderen de vraag op wat de steenrijke Surinaams-Nederlandse voetbalprofs doen voor het Surinaamse voetbal. Volgens sportambtenaar Poelsingh zijn Nederlanders guller dan Surinaamse Nederlanders. „Je kunt op de Nederlander rekenen bij een ramp, ze maken direct geld over. Wanneer je een Surinaamse topsporter wat vraagt, raadpleegt hij eerst een jurist, dan zijn mammie, dan moeten ze hun verplichtingen voldoen. Ze geven niet spontaan, mede omdat ze hier constant worden gevraagd om een cheque. Maar samen zouden die voetballers wel iets kunnen doen voor onze sport.”

Bondscoach Jaliens weet wel hoe. „Ex-topvoetballers komen niet hierheen om trainer te worden. Het is tot nu toe alleen gebleven bij populaire kreten. Ze hoeven hun geld er niet in te stoppen, maar tenminste hun kénnis. Zolang voetballers geen bal kunnen aannemen, wordt Ruud Gullit hier geen trainer. We moeten aan de basis beginnen, bijvoorbeeld met een voetbalschool.”

Geld blijft het onderliggende probleem. Oefenwedstrijden zijn te duur, zegt SVB-voorzitter Giskus. Daardoor spelen de Surinaamse internationals nauwelijks topwedstrijden. „We spelen we zes of zeven interlands per jaar, maar we moeten echt toveren om dat financieel mogelijk te maken.”

Aansluiting bij Trinidad & Tobago, dat zo verraste op het WK in Duitsland, zit er dus nog niet in. Giskus lacht. In de jaren zeventig, de hoogtijdagen van het Surinaamse voetbal, was Trinidad geen partij. Maar vorig jaar plaatste het land zich met maar liefst drie Nederlandse coaches (Leo Beenhakker, Wim Rijsbergen en Theo de Jong) voor het WK. „Als wij Leo Beenhakker zouden aantrekken, konden we de SVB naar de veiling dragen”, zegt Giskus.

Dit is het zevende en laatste deel in een serie over sport in Suriname. Eerdere delen zijn te lezen via www.nrc.nl/sport

    • Rob Schoof