Buikje

Al bijna drie jaar doet een studente geneeskunde onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag gaat het over de buik van meneer Blauw.

(Illustratie Nanne Meulendijks) Meulendijks, Nanne

„Productie neussonde?” Met een vies gezicht trekt dokter Scholten de zak van het bed en houdt hem in de lucht. Het groenbruine maagsap klotst vervaarlijk heen en weer.

Meneer Blauw lacht. Meneer Blauw lacht altijd. Zijn favoriete pose is een scheve grijns, de neus – met maagslang erin – opgetrokken als een konijntje, het ene oog opengesperd, het andere in een knipoog. Ik staar naar de magere man onder de lakens. Hij ligt nu drie weken op A6 – mijn afdeling als oudste co – met een onverklaarde verstopping van zijn dunne darm. Elke dag zit ik op de rand van zijn bed met hem te overleggen. Sonde in, sonde uit, toch maar vloeibaar proberen? We zijn er samen van overtuigd dat we dit met een beetje geduld kunnen oplossen, maar een uitweg uit de sinusgolf lijkt nog niet gevonden. Vier dagen terug stonden we nog te juichen, omdat hij een hele boterham weg kreeg. De volgende dag lag hij weer kotsend in bed.

„800 cc”, zegt Scholten. „Meer uitstel heeft geen zin. Ik opereer u aan het eind van de middag.” Meneer Blauw haalt zijn schouders op. „Wat moet dat moet”, lacht hij onbeholpen. En in drie stappen is Scholten de kamer uit. Verbijsterd staar ik naar de grijnzende gestalte in bed. Dan ren ik achter Scholten aan, trek hem aan zijn jas. „Maar waarom proberen we niet nog een paar dagen...” Scholten schiet in de lach. „Dat buikje moet gewoon ópen, schat. Maak jij hem klaar voor OK?”

Mijn Blauw onder ’t mes? Op de slachtbank van slager Scholten? Ik schud mijn hoofd, loop naar de keuken en sla een glas water achterover. Niet sentimenteel doen, Hermans. Aan de slag, zodat je vanavond niet te laat komt!

Exact om zeven uur heb ik alles geregeld: bloedonderzoek, thoraxfoto, hartfilmpje en consult internist. Ik loop een laatste keer langs bij meneer Blauw en bel Scholten op de operatiekamer.

„Mooi. Stuur hem direct hierheen. Kom je assisteren?” Ik aarzel even. „Ik heb kaarten voor een toneelvoorstelling vanavond en...” „Prima, hoor. We doen het wel zonder je”, en hij hangt op.

Vertwijfeld sta ik een paar minuten met de hoorn in mijn hand. Op de gang rijdt de verpleegkundige het bed voorbij, een bleek handje zwaait naar me vanonder de lakens.

Laat ik hem in de steek? Maar ik voeg toch niks toe op die OK? Moet ik dáárvoor mijn vriendinnen afzeggen? „Werk is werk. Vanavond ga ik uit”, mompel ik vastberaden. Ik trek mijn witte jas uit en ren naar de bus.

„U bent een kwartier te laat.” Ik kijk de schouwburgmedewerker smekend aan. „En op het allerhoogste balkon, als ik heel zachtjes doe?” Nog nahijgend zak ik even later in mijn stoel, kijk zoekend naar de zaal beneden. Zie ik daar mijn vriendinnen? Ze zijn vast pissig dat ik weer te laat ben.

Op het toneel staan twee mannen naar elkaar te schreeuwen, een oudere en een jongere. Welk Grieks drama was dit ook alweer? Nieuwsgierig buig ik me voorover, leg mijn armen op de balustrade. Pats, daar steekt de jongste de oudste neer. Dramatisch langzaam valt deze achterover, zijn linkerhand om het mes in zijn buik geklemd.

De jongste wendt zich nu naar het publiek, begint een retorische tirade over wraak. Maar ik kan mijn ogen niet van de oude man op de grond afhouden. Ik schrik als hij plotseling zijn linker wenkbrauw naar me optrekt. De bekende grimas verschijnt op zijn gezicht: „Wat moet dat moet.” Rond het mes puilen nu zijn pussige darmen naar buiten. Dan stapt Scholten het toneel op. Hij draait olijk een pirouette, buigt zich voorover, trekt het mes uit de buik en zwaait er lachend mee rond. Een koude rilling trekt langs mijn ruggegraat. Ik sluit mijn ogen.

Is dit wat ze met ‘professionele betrokkenheid’ bedoelen? Na twee jaar co-schappen voel ik me eindelijk echt ‘dokter’, maar hoe leer ik waar dat ophoudt?

In februari verschijnt de doktersroman ‘De co-assistent’ bij uitgeverij Podium.

    • Anne Hermans