Breng ons weer terug in Europa...

In de Europese Unie zijn we een soort buitenbeentje geworden. Achttien EU-lidstaten (Bulgarije en Roemenië incluis) hebben het Europees grondwettelijk verdrag inmiddels geratificeerd, en deze landen oefenen sterke druk uit op Frankrijk en Nederland om alsnog belangrijke onderdelen van dat verdrag te onderschrijven. Deze ‘bende van achttien’ houdt in januari 2007 krijgsraad in Madrid. Den Haag zit klem tussen enerzijds het ‘nee’ plus een ietwat eurosceptische verkiezingsuitslag, en anderzijds de noodzaak om weer volop mee te draaien in de EU. Wat te doen?

Allereerst moeten de banden met onze buren weer worden aangehaald. Uiteraard met EU-voorzitter Duitsland, maar ook met onze zuiderburen. Het Nederlandse ‘nee’ heeft kwaad bloed gezet bij België en Luxemburg, de twee landen waarmee wij een halve eeuw pionierswerk hebben verricht voor de Europese integratie. Zij beschouwen de Nederlandse afwijzing als een soort verraad aan de gemeenschappelijke Europese zaak.

De samenwerking tussen deze drie kleinen moet dus nieuw leven worden ingeblazen, mede met het oog op de herziening van het Beneluxverdrag in 2008. Het Beneluxkader heeft in politieke zin niet veel om het lijf, maar het wordt elders in de EU nogal bewonderd, en het is voor Den Haag een belangrijke draaischijf om goodwill in Europa te herstellen.

De nieuwe Franse president zal na de verkiezingen in mei zeer snel door Angela Merkel worden gepaaid, en dan is het zaak om niet alléén te komen staan tegenover de bende van achttien.

Overigens moet men eens ophouden Nederland ‘naar binnen gericht’ of ‘provincialistisch’ te noemen. Nederland is een van de grootste donoren van ontwikkelingshulp ter wereld en heeft mede onder EU-vaandel verhoudingsgewijs meer troepen in het buitenland gestationeerd dan bijvoorbeeld Spanje of Duitsland. Ook de Nederlandse afdrachten aan de EU liggen per capita nog steeds hoger dan die van de partners, ondanks de korting die Balkenende eind 2005 in Brussel wist te bedingen.

Er is inderdaad weinig Europadebat, maar dat is in andere lidstaten ook nauwelijks het geval. De ideeën van de Franse presidentskandidaat Sarkozy over een nieuw Europees miniverdrag bijvoorbeeld worden voornamelijk besproken in Le Monde. Negenenvijftig van de zestig miljoen Fransen lezen dat blad niet. In de Franse massamedia of onder het brede publiek is Europa geen onderwerp van discussie, een enkele opflakkering over de dienstenrichtlijn of Turkije daargelaten. We hoeven ons dus niet te schamen.

Belangrijk is vaste koers te houden in het Europese constitutionele debat. Het grondwettelijk verdrag is als zodanig formeel van de baan, en alle landen hebben het volste recht om met nieuwe voorstellen te komen. Het beste is een afgeslankte tekst, met alleen de noodzakelijke institutionele hervormingen (zoals een kleinere Europese Commissie) om te kunnen draaien in een Unie met 27 en meer leden.

Het handvest van de grondrechten creëert te veel nieuwe bevoegdheden voor de EU en moet uit het verdrag. Dat geldt ook voor de onnodige grondwettelijke opsmuk. Een ‘Europese minister van Buitenlandse Zaken’ schept eveneens verwarring, want dat wordt de beoogde functionaris niet. De lidstaten behouden de macht op dit gebied, vooral de grote. Het officiële EU-budget voor de gemeenschappelijke buitenlandse politiek bedraagt slechts 100 miljoen euro – de prijs van één nieuwe Joint Strike Fighter. We moeten ook goed opletten bij wat in Brussel wel en wat niet met meerderheid moet worden besloten.

Een volgend kabinet moet zich tevens bezinnen op de rol van de EU in de wereld, vooral de rol in het Midden-Oosten. Belangrijk is dat er zo min mogelijk ruimte komt tussen de Amerikaanse en Europese benadering. Alleen wanneer het Westen als één blok opereert kan nog enige invloed worden uitgeoefend op Teheran, of op de strijdende partijen in het Palestijns-Israëlische conflict.

Wat dat aangaat liggen de kaarten niet erg gunstig. Grote landen als Spanje en Italië volgen momenteel openlijk een anti-Amerikaanse koers. Frankrijk doet dat als vanouds. Nederland zou hier tegenwicht aan moeten bieden, samen met Groot-Brittannië en Duitsland, dat de laatste jaren weer een betere verstandhouding met Washington heeft opgebouwd.

Het nieuwe kabinet moet op twee A-viertjes aangeven waar het de komende jaren heen moet met de EU én met de Nederlandse soevereiniteit. Hoe ver reiken Europese bevoegdheden, instellingen, en beleid? Misschien kan een geruststellend toekomstbeeld van de EU het referendum helpen afwenden dat Wouter Bos tijdens de verkiezingscampagne heeft beloofd over het nieuwe EU-verdrag. En waar het CDA tegen is.

Ten slotte nog een lichtpuntje: de eurozone beleeft momenteel een periode van lichte economische groei. Dat geldt voor kleinere landen als Nederland en Ierland, maar ook voor Spanje en Italië. En, nog belangrijker, voor de twee centrumspitsen van de Europese integratie: Frankrijk en Duitsland. Zoiets bevordert de sfeer bij moeizame besprekingen.

Alfred Pijpers is verbonden aan het Instituut Clingendael in Den Haag.

    • Alfred Pijpers