Voedingsstudies zelden kritisch

Onderzoek naar de gezondheidseffecten van voedingsmiddelen pakt beduidend gunstiger uit als de voedingsindustrie er geld in heeft zitten. Een eerste systematisch onderzoek toont dat aan.

Martijn Katan Foto Bram Budel Prof. dr. Martijn Katan hoogleraar voeding op de faculteit gezondheidswetenschappen aan de vrije universiteit. Voor serie toppen van het kunnen, wetenschap. FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

Beschermt groene thee tegen darmkanker of aids, en bosbessensap tegen blaasinfecties? Onderzoek naar de gezondheidseffecten van voedingsmiddelen pakt beduidend gunstiger uit als de voedingsindustrie er geld in heeft zitten. Dat concludeert een groep Amerikaanse wetenschappers na een uitgebreide literatuurstudie. Ze zijn de eersten die op grote schaal onderzoek hebben gedaan naar een mogelijk verband tussen de uitkomst van voedingsonderzoek en de betrokkenheid van de industrie. Hun artikel is vandaag gepubliceerd in het online wetenschappelijk tijdschrift PLoS Medicine.

De Amerikanen bekeken in totaal 206 studies. Die hadden betrekking op vruchtensappen, melk of frisdranken en hun effect op bijvoorbeeld suikerziekte en kanker (voor melk), obesitas (frisdranken), of cariës en achterblijvende lichaamsgroei (vruchtensappen). De kans op een gunstige uitkomst was vier tot acht keer groter bij een gesponsorde studie, vergeleken met een niet gesponsorde. Met die uitkomst plaatsen de Amerikanen impliciet vraagtekens bij het groeiende aantal gezondheidsclaims waarmee levensmiddelen worden aangeprezen.

„Dit bevestigt wat alle insiders eigenlijk al wisten. Voedingsdeskundigen die samenwerken met de industrie zijn zelden kritisch over de producten die ze onderzoeken”, zegt prof.dr. Martijn Katan, hoogleraar Voedingsleer aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, die een commentaar schreef bij het artikel van de Amerikanen.

In zijn commentaar benadrukt Katan dat samenwerking met de industrie goed kan uitpakken, maar hij waarschuwt voor het hellende vlak van industriële financiering. Het begint ermee dat een gesponsorde studie zich zelden richt op mogelijk ongunstige aspecten van een voedingsproduct. Het kan er ook toe leiden dat ongunstige gegevens worden weggedrukt. „Uiteindelijk kan zelfs besloten worden de hele publicatie te schrappen, als de uitkomst voor de sponsor teleurstellend is”, zegt Katan.

Signalen over de invloed van de voedingsindustrie waren er al wel. Marion Nestle, hoogleraar voeding aan de New York University, kreeg veel aandacht met haar boek Food Politics (2002, University of California Press) over de invloed van die industrie op voedsel en gezondheid. Maar systematisch onderzoek naar de invloed van sponsoring op de uitkomst van onderzoek, ontbreekt daarin.

Wel had het Zwitserse levensmiddelenconcern Nestlé zes jaar geleden in een beperkt onderzoek vastgesteld hoe moeilijk het is om gesponsorde studies te vinden met een ongunstige uitkomst voor de geldschieter. En in 2003 was er een onderzoek van een Amerikaanse groep, maar die keek alleen naar de vetvervanger olestra van het levensmiddelenbedrijf Procter & Gamble. Van alle mensen die zich positief uitlieten over het product, had 80 procent een financiële relatie met olestra. Voor de mensen die zich neutraal of negatief over de vetvervanger uitlieten, bedroegen die percentages respectievelijk 21 en 11 procent. Voor de voedingsindustrie is nu duidelijk aangetoond wat al langer bekend was van de farmaceutische industrie. Tientallen studies hebben laten zien dat onderzoek naar medicijnen een veel gunstiger uitkomst heeft als het wordt gefinancierd door de industrie.

Dat het nu ook is aangetoond bij voedingsonderzoek, baart de auteurs zorgen. Uitkomsten van voedingsonderzoek vertalen zich in voedingsadviezen, de samenstelling van de schijf van vijf. Als dat onderzoek, door commerciële belangen, niet deugt dan kan dat gevolgen hebben voor de hele bevolking. „Als je een gemeenschapsgoed als voedsel overdraagt aan de markt, kan dit gebeuren”, zegt Katan. Volgens hem is er een trend onder levensmiddelenbedrijven om voeding aan te prijzen met gezondheidsclaims, omdat gezondheid meer een verkoopargument aan het worden is, naast prijs, smaak en gemak. De claims worden onderbouwd met wetenschappelijk onderzoek. Maar dat beperkt zich vaak tot onderzoek in de reageerbuis, of op muizen. Als er al proeven op mensen worden gedaan, duren ze kort. Terwijl het werkelijke effect op de gezondheid alleen vastgesteld kan worden in langdurige studies, bij grote aantallen mensen. Maar die zijn te duur voor voedingsbedrijven, en worden nagelaten. Katan: „Melk, groene thee, of ingrediënten daarvan kun je niet patenteren, omdat het bestaande stoffen zijn. Dus kunnen bedrijven zich niet beschermen tegen de concurrentie. Ze mogen hun onderzoekskosten daarom niet te hoog laten oplopen, want die kunnen ze niet verrekenen in de prijs van hun producten.”

Hoe kan een onderzoeker voorkomen dat hij moet toegeven aan de druk van zijn opdrachtgever? De Amerikanen geven in hun artikel enkele voorzetten: onderzoekers kunnen steun vanuit de industrie weigeren, universiteiten kunnen strengere regels opstellen. Maar de enige definitieve oplossing, zegt Katan, is om het onderzoek te financieren via onafhankelijke instanties, zoals dat in Nederland gebeurt door NWO.

Katan zegt dat in Nederland de meeste universiteiten al een gedragscode hebben over de omgang met de industrie. „Maar ik betwijfel of dat afdoende is.” De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) heeft een voorstel bij de regering ingediend om het Landelijk Orgaan voor Wetenschappelijke Integriteit het recht te geven contracten tussen universiteiten en bedrijven te mogen inzien. Het is een knuppel in het hoenderhok, zegt Katan, die lid van de KNAW is. „Het zou opdrachtgevers kunnen afschrikken. En dat betekent minder geld voor universiteiten uit de derde geldstroom, en wellicht ook banenverlies.”

    • Marcel aan de Brugh