Duitsland kan als EU-voorzitter het beste helemaal niets doen

De belangrijkste opdracht voor Duitsland als huidig voorzitter van de Europese Unie ligt op het terrein van de binnenlandse politiek, vinden Vladimir Dlouhy en Bill Emmott.

Een halfjaarlijks Europees ritueel deed zich vorige week voor toen bondskanselier Angela Merkel haar prioriteiten bekendmaakte voor de zes maanden dat Duitsland het voorzitterschap zal bekleden van de Raad van de Europese Unie.

We zouden graag wat alternatieven voorstellen. Wij zijn buitenstaanders en zijn vrij van nationale vooringenomenheid: één van ons komt uit de Tsjechische Republiek, de ander uit Groot-Brittannië.

Duitsland kan als EU-voorzitter het beste helemaal niets doen.

Alle belangrijke beleidskwesties waarvoor de EU-lidstaten zich gesteld zien, zijn kwesties die op het niveau van de binnenlandse politiek spelen, en niet op dat van de EU. En omdat in Frankrijk presidentsverkiezingen plaatsvinden tijdens de periode dat Duitsland EU-voorzitter is, kan er hoe dan ook niet veel worden bereikt.

Duitsland zou dus idealiter moeten aankondigen slechts één topdiner te willen organiseren voor de EU-leiders, om de Duitse keuken, cultuur en gastvrijheid in het zonnetje te zetten. Daarnaast zou het moeten voorstellen dat alle regeringsleiders de komende zes maanden benutten om hun economieën te liberaliseren en een snellere groei van de levensstandaard te bewerkstelligen.

In plaats van de onoprechte belofte van ‘kooldioxideneutraliteit’ die de Britse premier Tony Blair deed op de G8-top vorig jaar in Schotland, zou Duitsland het mondiale klimaat daadwerkelijk kunnen helpen door het met de top samenhangende reisverkeer te beperken en het aldus uitgespaarde geld aan het planten van bomen te besteden.

Maar dit is natuurlijk onmogelijk. Geen regering is in staat te beloven niets te doen. Daarom bepleiten we dat Duitsland als richtsnoer een woord zal hanteren waarvan we denken dat het de grootste uitdaging van de Europese Unie uitdrukt: ‘relevantie’.

Het probleem waar de EU voor staat, in termen van haar eigen publieke opinie en dat van de wereld als geheel, is dat de discussies, de instellingen en het beleid van de Unie voor de meeste mensen irrelevant lijken in het perspectief van hun zorgen over hun baan, hun levensstandaard, de concurrentie uit China en India, en hun veiligheid.

Alles wat Duitsland als EU-voorzitter probeert te bereiken, moet in het licht van die zorgen dus relevant zijn.

De lijst van mogelijke beleidsopties is kort. De beste optie zou zijn de zes maanden te gebruiken om de kansen voor één enkele dienstenmarkt binnen de Unie te doen herleven.

De dienstenrichtlijn, die een paar jaar geleden werd voorgesteld door de Nederlandse eurocommissaris Frits Bolkestein, had een bewonderenswaardig doel: het op dezelfde manier liberaliseren van de handel in diensten als met de handel in goederen is gebeurd, binnen één enkele markt, met grote voordelen voor de groei, de innovatie, de werkgelegenheid en de inkomens.

Duitsland was samen met Frankrijk een van de voornaamste tegenstanders van de Bolkestein-richtlijn, hetgeen de reden is dat het Europees Parlement en de Commissie het voorstel zo drastisch hebben laten verwateren.

Nu Duitsland een bondskanselier heeft die zegt vóór liberale markten en vrije handel te zijn, heeft het land de kans zijn aanzienlijke gewicht achter een nieuw initiatief op het gebied van de diensten te stellen, waardoor het oorspronkelijke doel van het Verdrag van Rome uit 1957 weer binnen handbereik komt: een werkelijk enkelvoudige en open markt.

Een andere mogelijkheid plaatst ons méér op één lijn met Merkel: haar deze week naar buiten gebrachte idee om te proberen onderhandelingen te beginnen met de Verenigde Staten en Canada over een transatlantische vrijhandelsovereenkomst is uitmuntend.

Als liberale voorstanders van mondiale vrijhandel staan we normaliter wantrouwig tegenover bilaterale en regionale handelsakkoorden, omdat we bang zijn dat ze de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en échte mondiale openheid zullen ondermijnen. We geven de voorkeur aan een wereldwijde aanpak.

Maar nu het onwaarschijnlijk is dat de wereldwijde handelsbesprekingen in het kader van de Doha-ronde van de WTO ook maar iets opleveren, kan een transatlantische overeenkomst een nuttige rol spelen bij het levend houden van de zaak van de vrije handel, en bij het uitoefenen van druk op de nationale regeringen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan om liberalere hervormingen door te voeren.

Een belangrijke voorwaarde voor een transatlantische vrijhandelsovereenkomst is dat andere landen de mogelijkheid wordt geboden zich er in de toekomst bij aan te sluiten. Als dat kan worden verwezenlijkt, kan een transatlantisch akkoord een opstapje zijn naar een verdere wereldwijde handelsliberalisering, in plaats van die juist te belemmeren.

Onze derde suggestie betreft de voorgestelde Europese Grondwet.

Het mooiste zou zijn als die zou worden geschrapt. De Grondwet was een gemiste kans om de macht en de doeleinden van de EU opnieuw te formuleren, nu de Unie uit 27 landen bestaat en in een moderne, geglobaliseerde economie moet functioneren, en niet langer de gemeenschap is van eerst zes, daarna negen en ten slotte vijftien landen in het tijdperk van de Koude Oorlog.

De EU is er niet in geslaagd enige bevoegdheid van belang terug te geven aan de lidstaten, zoals zij had beloofd, en is er ook niet in geslaagd de Unie begrijpelijker en toegankelijker te maken voor de burgers, hetgeen het uitgesproken doel van de hele oefening was.

We weten echter dat Merkel heeft gezegd dat ze een manier wil vinden om het proces van aanvaarding van een grondwet te doen herleven.

We geloven niet dat dat helemaal mogelijk is. Daarentegen bepleiten we dat Duitsland het constitutionele debat moet heropenen door op te roepen tot een speciale bijeenkomst van de EU-Raad om de kwestie van de ‘subsidiariteit’ te bespreken (het beginsel dat beleidsbeslissingen worden genomen op het laagst mogelijke overheidsniveau). Daarbij zou ook de verwante kwestie van het teruggeven van bevoegdheden aan de lidstaten aan de orde moeten komen.

Maar de belangrijkste opdracht voor Duitsland als EU-voorzitter ligt op het terrein van de binnenlandse politiek. Het hervormingsproces in Duitsland lijkt te zijn vastgelopen, nu zelfs Merkel, die in theorie een bewonderenswaardige liberaal is, heeft ingestemd met veranderingen in de arbeidswetgeving en de werkloosheidsuitkeringen die er alleen maar toe zullen bijdragen dat de hoge werkloosheid behouden blijft.

Ondanks het huidige conjuncturele herstel van de Duitse economie moet er een grote inspanning worden geleverd om de consensus over liberale hervormingen terug te winnen. Het gevaar van het EU-voorzitterschap is dat het de aandacht van deze noodzaak zal afleiden.

Vladimir Dlouhy is internationaal adviseur voor de zakenbank Goldman Sachs. Hij maakte deel uit van Tsjechoslowaakse en Tsjechische regeringen. Bill Emmott was hoofdredacteur van The Economist van 1993 tot maart 2006. © International Herald Tribune.

    • Vladimir Dlouhy
    • Bill Emmott