De rechtspraak bureaucratiseert

Management is het nieuwe toverwoord in de rechtspraak. Laat rechters gewoon hun werk doen. In onafhankelijkheid.

Er zijn verschillende hooggeleerde verklaringen in omloop voor enkele spectaculaire gerechtelijke dwalingen van de laatste tijd zoals de Puttense moordzaak en de Schiedammer parkmoord. De een zegt dat advocaten te zeer beperkt zijn in hun mogelijkheden de ‘dossierwaarheid’ aan te vechten (Schalken). Een ander vindt dat rechters hun vonnissen beter moeten motiveren (Tak). De Nijmeegse hoogleraar Buruma – bekend van de commissie waarbij mogelijke dwalingen kunnen worden gemeld – legde in het Juristenblad de vinger op de veranderde taakopvatting van rechters. De kritische generatie die in de jaren tachtig van de vorige eeuw policing the police centraal stelde, is vervangen door „ietwat bloedeloze ambtenaren-rechters”.

De drie verklaringen sluiten elkaar niet uit. De analyse van Buruma is vooral opmerkelijk vanwege het verband met een algemeen fenomeen, de groei van nieuwe bureaucratisch-bedrijfsmatige structuren in de publieke sector. Vice-president Tjeenk Willink van de Raad van State heeft daarover terecht alarm geslagen.

Voorbeelden als het onderwijs en de zorg stemmen niet tot vreugde. „De deskundige leerkracht en de toegewijde verpleger zijn vaak overwoekerd door een laag managers die veel van bedrijfsvoering weet maar niets van de inhoud van het vak”, aldus de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, Rimmer Mulder in het tijdschrift voor de rechterlijke macht Trema van november. Aanleiding was het vijfjarig bestaan van de Raad voor de Rechtspraak, de top van het nieuwe ‘integraal management’ bij de rechterlijke macht. De ergste rampen zijn de rechterlijke macht bespaard gebleven, vindt Mulder: „Voor de waarnemer buiten de organisatie is er tenminste niets van te merken. Eerder lijkt de zittende magistratuur haar positie tegenover de politiek te hebben verstevigd”.

Dat laatste is ook de waarneming van Elaine Mak van de Erasmus universiteit. Zij waarschuwt echter dat de „constitutionele onafhankelijkheid” een prijs heeft: „de feitelijke onafhankelijkheid van de rechter in het concrete geval komt in het gedrang”. En om dat laatste is het de rechtzoekende burger tenslotte begonnen.

De vorige minister van Justitie, Donner, probeerde in 1995, als voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, het hele probleem weg te poetsen. Hij betoogde dat de grondwettelijk gegarandeerde onafhankelijkheid van de rechtspraak toebehoort aan ‘colleges’ en niet aan individuele rechters. Alsof een ziekenhuis de eed van Hippocrates aflegt en niet de individuele arts. De interne druk om te conformeren is net zo goed een risico voor een goed functioneren van de rechtspraak als druk van buiten.

De Raad voor de Rechtspraak verhoogt deze druk. Dat bestuurders afkomstig zijn uit het vak maakt dit eerder groter. Een lid van een gerechtshof vraagt zich in Trema angstig af of zij het wel goed doet als ze zaken ter zitting aanhoudt omdat nader onderzoek geboden is. Zo’n vraag alleen al. Niet alleen het hof maar ook de kantonrechtspraak – die een reputatie heeft te verliezen van nuchtere rechtspraak dicht bij de burger – klaagt over kwaliteitsverlies als gevolg van de nieuwe managementstructuur.

De nieuwe nadruk op ‘beleid’ leidt in combinatie met de productiedruk tot allerlei informele – dus ondoorzichtige – afspraken tussen rechters onderling en met andere overheidsdiensten, van aanklagers tot justitiële inrichtingen. In ten minste één geval zelfs met de hoofdofficier van justitie (en niet een rechter) als voorzitter. „Het speelkwartier is voorbij”, schertste een topambtenaar. Deze humor is niet besteed aan de Nijmeegse hoogleraar rechtspleging De Groot-Van Leeuwen: de nieuwe „geprefabriceerde beslissingsschema’s” kunnen het draagvlak van de rechtspraak in de samenleving op termijn slechts ondermijnen.

De Raad voor de Rechtspraak vraagt nu in een rondschrijven om inbreng voor een integriteitscode voor rechters die zij wil opstellen. Als model wordt de code van het ministerie van Binnenlandse Zaken bijgesloten. Dat is precies de verkeerde toon. Met alle respect voor het binnenlands bestuur: dat is toch andere koffie dan rechterlijke onafhankelijkheid.

„De nieuwe structuur wordt in hoofdlijnen als bevredigend ervaren”, concludeerde de redactie van Trema aan de hand van een hele serie bijdragen, overigens voornamelijk van insiders. Maar de bange vraag blijft: „in hoeverre draagt deze nieuwe structuur bij aan het vertrouwen in de rechterlijke macht?” Inderdaad. De Commissie-Deetman, die de nieuwe structuur evalueerde, waarschuwt tegen bureaucratisering van de rechtspraak. Zelf legt zij toch weer het accent op de „bestuurskwaliteit” van rechters. Dat is iets anders dan de kwaliteit van het rechtdoen zelf. Ook wil zij méér onderlinge afspraken, waarbij zelfs de Hoge Raad moet worden betrokken – al valt de hoogste rechter buiten de nieuwe structuur. Dat belooft weinig goeds.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl

    • Frank Kuitenbrouwer