De koorts is onderdrukt, maar verder?

Handbal bij de mannen is in Nederland een marginale sport. De nationale ploeg van coach Pim Rietbroek probeert zich aan het lage niveau te onttrekken. Maar dat gaat moeizaam.

Wordt het ooit wat met de Nederlandse handballers? Dat is de vraag, want de nationale ploeg is decennialang een patiënt die maar niet beter wil worden.

Wie naar de gezondheidstoestand informeert, hoort verschillende diagnoses. Volgens trainers en spelers gaat het gestaag de goede kant op en is genezing een kwestie van tijd. Uit bondskelen komen andere klanken. De koorts is onderdrukt, dat wordt erkend, maar voor een compleet herstel zijn zwaardere medicijnen nodig, vindt men.

Ben Spaai, technisch directeur van het handbalverbond (NHV), is allerminst ontevreden met de track record van de anderhalf jaar geleden aangestelde bondscoach Pim Rietbroek, maar hij vraagt zich hardop af of het niet nog beter kan. Als het aan hem ligt, wordt er rond het Nederlands team niets meer ad hoc beslist, de verjonging nog rigoureuzer doorgevoerd, een helder doel (EK, WK of Olympische Spelen) gesteld en het aantal trainingsuren drastisch opgevoerd. Pas dan gloort er in de perceptie van Spaai hoop op een plaats bij de toptien van Europa.

Wie Nederland afgelopen week heeft gevolgd tijdens de twee EK-kwalificatiewedstrijden tegen Oostenrijk, zal zich vertwijfeld hebben afgevraagd hoe de nummer 35 van de Europese ranglijst er in hemelnaam in wil slagen 25 plaatsen op te schuiven. Hoewel de absentie, wegens blessures, van aanvoerder Mark Schmetz en sterspeler Fabian van Olphen als een verzachtende omstandigheid gold, stemde het spel van Nederland treurig. Met doelman Gerrie Eijlers en opbouwspelers Bartek Konitz en Marc Bult houdt het internationaal aanvaardbare niveau van de spelers wel op.

Als Nederland zich wederom niet plaatst voor het EK, weet Spaai al welke stap hij wil maken: afscheid nemen van de oudere spelers en de jonge selectiespelers mixen met de grootste talenten uit de nationale juniorenploeg. „En focussen op een groot toernooi, zoals de nationale vrouwenploeg zich nu volledig richt op de Olympische Spelen van 2012.”

„Weet je wat het is”, zegt Spaai. „Het lijkt zo mooi dat de meeste internationals in sterke buitenlandse competities spelen. Maar wat is het waard, als de meeste bij hun club op de bank of op de tribune zitten? Worden ze daar beter van?”

Bult denkt van wel. De speler van het Duitse HSG Nordhorn, een club in de 1ste Bundesliga, ziet louter voordelen. „Alleen van trainen met sterke spelers, word je al beter. Ik merk het aan mezelf, hoewel ik bij de club weinig speel, omdat de Duitse international Holger Glandorf mijn concurrent is.”

Van Bult hoeft er rond het Nederlands team dan ook weinig te veranderen. Net als bij coach Rietbroek en speler Konitz leiden de woorden van Spaai bij hem tot gefronste wenkbrauwen. We hebben al zo’n jonge ploeg, riposteert het drietal.

„Nog verder verjongen? Juist nu we geleidelijk aan ervaring winnen, lijkt me dat geen goed idee”, zegt Konitz, die bij Kielce in de Poolse competitie speelt. „Ik neem mezelf maar als voorbeeld. Een jaar geleden voelde ik me nog onzeker in de nationale ploeg, maar nu ben ik aan het niveau gewend. En junioren moeten dat proces nog helemaal doorlopen.”

„Met deze selectie kunnen we nog zeker vier, vijf jaar vooruit”, zegt Rietbroek. „De internationals zijn in meerderheid professionals in buitenlandse competities, die maken hun trainingsuren echt wel. Bij de nationale jeugdteams moet dat juist omhoog. Maar daar wordt sinds de recente aanstelling van Harrie Weerman als verantwoordelijke trainer voor de jeugdopleiding hard aan gewerkt. Of het idee om de Fontys Hogeschool in Tilburg of de Hogeschool van Amsterdam met een jeugdteam aan de competitie te laten deelnemen moet realiteit worden. Dat zou helemaal mooi zijn.”

Maar dat plan is volgens Spaai geen serieuze optie meer, omdat de clubs er op tegen zijn. Die defensieve houding van de clubs is ook op andere vlakken een probleem. Door de slechte prestaties in de Europa-Cuptoernooien heeft Nederland vanaf volgend seizoen geen recht meer op een plaats in de voorronde van de Champions League. „Als we wat willen, moet eerst het clubniveau worden opgekrikt”, meent Spaai. „Veel clubs, zoals afgelopen seizoen Bevo en V en L, maken niet eens gebruik van het recht om in een van de Europese toernooien te spelen. Ze redeneren: waarom veel geld uitgeven als je er toch in de eerste ronde uitvliegt. Met die houding straffen ze wel het Nederlandse handbal. We wijzen ze wel op hun verantwoordelijkheden, maar we kunnen ze niet dwingen tot deelname.”

Naast alle plannen voor de toekomst van het nationale mannenteam, moet de bond binnen een half jaar ook een besluit nemen over contractverlenging van Rietbroek. De bondscoach heeft de intentie om door te gaan. Maar of dat conform de wens van alle spelers is, valt te betwijfelen.

Bult liet er zondag, na afloop van de wedstrijd tegen Oostenrijk, geen misverstand over bestaan dat er binnen de selectie gerede twijfels zijn. „Rietbroek en zijn assistent Harrie Weerman zijn niet op alle gebieden met hun tijd meegegaan. Hun aanpak is op onderdelen ouderwets. Een voorbeeld? Hun ideeën over verdedigen”, zei Bult in de microfoon van het radioprogramma Langs de Lijn.

En of hij zelf wil dat Rietbroek blijft? „Daar wil ik nog geen uitspraak over doen.”

    • Henk Stouwdam