Communist

Joop Wolff had een geheim en dat geheim gaat nu met hem het graf in.

Toen ik van zijn dood vernam, moest ik meteen denken aan het interview dat ik hem in mei 1991 voor NRC Handelsblad afnam. Ik zocht hem op omdat een maand later zijn partij, de Communistische Partij van Nederland (CPN), zou worden opgeheven. Die partij was zijn leven geweest, hij was er jarenlang een van de machtigste mannen. In zijn partij deed het verhaal de ronde dat hij kort na de Tweede Wereldoorlog in het geheim naar China was gegaan om van daaruit de gewapende strijd te ondersteunen van de PKI, de Indonesische communisten, tegen het Nederlandse gezag.

Kon hij dat bevestigen? Hij verstrakte totaal en zei: „Als u me dat tevoren had voorgelegd, had ik gezegd: meneer, blijft u maar thuis. In het kader van wat we voor de PKI hebben gedaan, kan er een moment komen waarop ik daarover met u wil praten – maar op dit moment niet. Ik stel voor dat u dit niet in het interview opneemt. Ik zit natuurlijk wel eens te denken over publikatie... maar dan moet u nu dat ding (de taperecorder) afzetten.”

Mijn vraag kwam op een wel erg ongelegen moment. Die avond moest Wolff in smoking naar de Stopera om met koningin Beatrix en prins Claus feest te vieren. Hij onderhield, vooral dankzij zijn verzetsverleden, een vriendschappelijke band met prins Bernhard. Verhalen over staatsvijandige activiteiten pasten niet in dat beeld.

Met gemengde gevoelens heb ik de rest van het interview nog eens doorgelezen. Er waren momenten dat hij een schijnbare openhartigheid toonde – momenten die bij andere CPN-prominenten als Paul de Groot ondenkbaar waren.

Zo begon hij te vertellen over een bijeenkomst met premier Chroesjtsjov, die hij als correspondent van De Waarheid had meegemaakt. „Het was een weinig verheffende vertoning. We zaten aan een ovale tafel soep te eten en Chroesjtsjov stond daar op een vreselijke manier grappen over de lijken van zijn voorgangers te maken. Het was duidelijk dat hij en de anderen veel gedronken hadden.”

Een onthullende anekdote, maar hij vertelde hem vooral omdat hij de pest had aan Chroesjtsjov. Het was Chroesjtsjov die in zijn ogen het communisme te schande had gemaakt door in 1956 op het twintigste partijcongres zijn befaamde anti-Stalin-rede te houden. En dat zonder vooraf de leiders van de CPN in te lichten! „Paul de Groot noemde hem de knoeichef, daar heb ik smakelijk om gelachen”, vertelde Wolff.

De communistische leer deugde wel, de leiders helaas (soms) niet. Dat was zo ongeveer zijn boodschap. Verder kreeg ik de indruk dat het communisme hem als theorie amper nog interesseerde. De partij had hem een mooie politieke carrière laten maken, dat was genoeg. De val van het communisme in Oost-Europa noemde hij „een catastrofale en onterende toestand – dat komt wel hard aan.”

Een toestand. Alsof het communisme in de Sovjet-Unie niet altijd een catastrofale en onterende ‘toestand’ was geweest. Dat heeft me bij communisten als Wolff altijd het meest gefascineerd: het bijna onbeperkte vermogen om de werkelijkheid in de Sovjet-Unie al die jaren te ontkennen, te vervalsen, te verdringen of hoe je het ook wilt noemen.

    • Frits Abrahams