Tegenwicht gevraagd

Hoogste rechters hebben wel het finale oordeel, maar zijn niet altijd superieur. Die conclusie kan worden getrokken uit het genuanceerde, tevens negatieve oordeel dat lagere vreemdelingenrechters en wetenschappers trekken uit de eenzijdige rechtspraak van de Raad van State in vreemdelingen zaken. Het opvallendste is wel dat de Raad als hoogste instantie in vreemdelingenzaken vijf jaar na invoering van de nieuwe wet nog geen gezag heeft opgebouwd. Dat duidt op een groter probleem dan alleen vakinhoudelijke onenigheid.

Dat rechters deze kritiek openlijk uitspreken is opmerkelijk. Volgens de beroepsethiek van de rechters is het ongewenst om anders te communiceren dan door het vonnis. Maar kennelijk gaan de golven zo hoog dat het protest niet binnen de raadkamers kon blijven. Vreemdelingen hebben in laatste instantie vrijwel geen kans op een gunstig oordeel. Rechters en wetenschappers bekritiseren de houding van de Raad als ‘pro-gouvernementeel’. In gewone taal: de minister krijgt altijd gelijk en naar de lagere rechter wordt niet geluisterd.

Het summiere verweer van de Raad van State is weinig steekhoudend. Daar zegt men dat vreemdelingen elke strohalm aangrijpen en dat er juridisch dus veel kaf tussen het koren is. En verder maakt de regering meer kans omdat ze selectief in beroep gaat, op basis van juridische kansberekening. Dat laatste kan waar zijn, hoewel in de praktijk de indruk bestaat dat de minister áltijd in beroep gaat als hij bij de lagere instantie verloor. Maar het eerste verweer is zwak. Ook de lagere rechter is zeer selectief. Vreemdelingen krijgen in niet meer dan twintig tot dertig procent van de gevallen bij de lagere rechter gelijk. Vervolgens maakt de Raad van State daar toch weer korte metten mee. In 2005 kreeg maar drie tot vier procent van de vreemdelingen ook gelijk van de hoogste rechter.

Lagere rechters blijven bevreemd achter. Zij beoordelen de uitspraken van de Raad als cryptisch en vaak onvoldoende gemotiveerd. Maar het ergste is: voorspelbaar. Het effect daarvan op de lagere rechter laat zich raden. Het animo om een uitgebreider, juridisch breder gemotiveerd vonnis te schrijven neemt af. Alleen strijdbare, echt onafhankelijke lagere rechters blijven zich verzetten. Dat gebeurt bijvoorbeeld terecht tegen de zogenoemde bajesboten, die plaatselijke vreemdelingenkamers zo slecht vinden dat vreemdelingen er niet langer dan een half jaar mogen verblijven. De Raad van State hield zich doof en vernietigde ten gunste van een andere rechtsgang. De bajesboten zijn een ongeluk dat alleen nog hoeft te gebeuren.

Vreemdelingendetentie ontwikkelt zich tot het schandaal van de rechtspleging in Nederland. Van een uiterste middel om illegalen te controleren is het verworden tot een routineuze intimidatie van vreemdelingen die moeten boeten voor hun aanwezigheid. Met acht man op een cel, zes uur activiteiten per dag, alleen magnetronmaaltijden – en dat kan oplopen tot anderhalf jaar. Zware criminelen zitten in Nederland onder betere omstandigheden. Nu leggen vreemdelingenrechters hun professionele distantie deels af. De geloofwaardigheid van de hoogste bestuursrechter is in het geding. Ook daar zijn moed en autonomie vereist, om juist voor tegenwicht te zorgen.