Te diep voor het denken

Elke zeven jaar komt regisseur Michael Apted langs bij een groepje mensen en vraagt hun met een camera in zijn hand hoe het in hun leven staat. Het begon toen ze zeven jaar oud waren, kleine kinderen die met de ernst van kleine kinderen vertellen wat ze gaan worden. Dan pubers, stuurloze jongvolwassenen, verliefde, pasgetrouwde of nog altijd alleenstaande mensen, de eerste scheidingen volgen, het tobberige leven zelf met zijn slijtwerkzaamheden, de eerste rimpels, de berusting, de moeite. Nu zijn ze 49. Ze waren onlangs weer op televisie te zien, 49-up, heette het programma. Tussen 42 en 49 slaat de leeftijd echt toe, uiterlijk gesproken, dat kon je goed zien. Ze waren ineens ontzaglijk middelbaar allemaal, grijze haren, dikke lijven, de tijd van de dromen en de verwachtingen lag achter hen, ze wisten wat het leven te bieden had en wat niet meer. En, interessant genoeg, de meesten zeiden dat ze nu eigenlijk op hun tevredenst waren, ‘gelukkig’ zei een enkeling zelfs, ‘in evenwicht’ zei een ander. Lang hadden ze erover gedaan. En juist nu ze tamelijk illusieloos zijn en niet meer zo mooi en jong en veerkrachtig, nu zeggen ze: het is goed zo.

Wat is de mens toch voor een wezen. Nu is gebrek aan verwachtingen weer beter dan je van alles voorstellen, is het weten dat het leven je niet alles geeft wat je ervan verwachtte meer reden om tevreden te zijn met wat je wel kreeg en realiseert men zich met enige opluchting dat de tijd dat het leven voortdurend verlanglijstjes gepresenteerd kreeg achter de rug is.

Objectief gesproken zijn die mensen natuurlijk niet beter af. Maar ze nemen de onvolmaaktheid erbij.

Om het omslag van het laatste nummer van het tijdschrift Nexus zit een buikbandje dat zegt: ‘Durf ongelukkig te zijn’. Een brutale uitnodiging. Binnenin vind je bepaald niet het geboudeer van de onvoldane jeugd, maar een lang stuk van George Steiner die nog maar weer eens laat zien wat belezenheid, nadenkelijkheid en essayistiek kunnen betekenen. Hij geeft tien redenen voor melancholie, voor de „al het leven aanklevende treurnis” zoals de filosoof Friedrich von Schelling dat uitdrukte. Die treurnis is gelegen in het denken zelf, in de onvolmaaktheid ervan, de grenzen, de vergeefsheid, de gekmakende overvloed van de gedachten, de onkenbaarheid van andermans en grotendeels ook de eigen gedachten, de onoplosbare vragen. Waar het gaat om „het raadsel van de aard of het doel – zo er al zoiets is – van ons bestaan” zijn we „geen centimeter dichter bij een antwoord op de vraag of de dood al dan niet een definitief eindpunt is en of God al dan niet bestaat” gekomen.

Dat we er niet mee opschieten, dat de vragen onoplosbaar zijn, betekent niet dat we ze overbodig moeten verklaren en ze niet meer moeten stellen, zegt Steiner. „De duizeling die wordt veroorzaakt door het niet-aflatend stellen van vragen, activeert een leven van permanent zelfonderzoek.”

Zinloze activiteit die tegelijkertijd hoogst vitaal is. Want zelfonderzoek is mooi, mythen, verzinsels, beelden, je zou niet weten hoe je er zonder moest leven, maar uiteindelijk – ja, uiteindelijk. Ze lossen niets op, de vragen niet en de antwoorden niet, maar ze leveren wel iets op – een eindeloze rijkdom, toonbeelden van denkkracht, onvergetelijke verhalen, de mooiste poëzie. Muziek. Daar komt Steiner uit, bij de muziek „dat tantaliserende medium van de geopenbaarde intuïtie aan gene zijde van het woord”.

Is het romantisch wat Steiner hier allemaal beweert? Jawel. Maar soms lijkt juist romantiek het best overweg te kunnen met de vragen naar het leven en de vreemde emoties de je daarin overvallen. In zijn fascinerende brievenboek Met de meeste hoogachting schrijft dichter Erik Menkveld brieven aan bewonderde doden (op twee brieven aan levenden na) en stelt daarin onmogelijke vragen, naar de aard van het inzicht van de Boeddha, de weg van het geloof van Jesaja, de magie van John Coltranes noten en, aan Robert Schumann, hoe het komt dat tijdens het afwassen hem de tranen in de ogen springen, omdat hij een klein, bijna door Schumann verdonkeremaand stukje muziek van hem hoort.

Ja, hoe kan dat? Hoe weet muziek toch altijd ergens zo diep te boren, althans, je dénkt dat dat is wat er gebeurt (dat denken weer), zonder dat je greep krijgt op wat er dan wordt aangeroerd. Menkveld wil zich beslist niet al te snel door een of ander romantisch idee laten meeslepen, hij roept zijn meest sceptische kant erbij om alles wat hij kan verzinnen als verklaring voor zijn ontroering snel af te wijzen. En toch kan hij het best uit de voeten met een formulering van Schumann zelf, een regelrecht romantische formulering, de bewering dat muziek ‘een aardse ademtocht van gene zijde’ zou kunnen zijn die iets goddelijks zou bevatten dat „niet genoemd of beschreven kan worden, uitsluitend gevoeld”. „Kortom”, schrijft Menkveld, „misschien huilde ik omdat uw stukje mij even iets goddelijks ‘toonde’.”

Het bevredigt hem niet, maar iets beters is er ook niet. Steiner schrijft: „Gedachten te diep niet zozeer voor tranen maar voor het denken zelf.”

De tevredenheid van de ouder wordende mens, daar begon dit allemaal mee. Zit die hem erin dat je leert dat de antwoorden geen antwoorden zijn, dat het grote geluk niet komt, maar dat het leven almaar zo eindeloos veel te bieden heeft, te vragen, te veronderstellen? Nee, het is anders nog, dat heeft het leven niet te bieden, dat ís het leven, het leven van het denkend riet dat de mens is. Zie hem zitten, dik, rimpelig, grijs – maar tevreden met zijn zinloze inzichten, in staat te leven met de treurnis, die, zo zegt Schelling, „enkel dient tot de eeuwige vreugde die gelegen is in de poging deze treurnis te overwinnen.”

    • Marjoleine de Vos