Suffugium, voorbij de idylle

ILja Pfeijffer is deze week nog correspondent van nrc.next in Second Life.

Vandaag ‘teleporteert’ hij naar het grauwe Suffugium.

Second Life

Na een tijdje kun je geen waterval meer zien. „Tenzij hij zwaar vervuild is”, zei Hermes Moon. „Dat de giftige dampen er vanaf slaan. En dat je nare zweren krijgt door ernaar te kijken.” Maar alles is zo verdomd idyllisch in Second Life. Dat zit allemaal maar romantisch te lummelen in een purperen reuzenorchidee. Dat mijmert maar in een boomhut met uitzicht op een vallei vol gouden tempels. Dat legt zich maar te ruste onder rode baldakijnen. „Ik mis de uitlaatgassen”, zei Hermes.

„Ik ken wel een plek.”

„Je weet toch dat ik nooit van mijn eigen eiland af kom?”

„Niet zeuren, Hermes.”

„Oké. Teleporteer me dan maar.”

Suffugium. Alleen de naam al is anders dan alles wat mooi is in Second Life. Er hangt een grimmige duisternis over de stad. Op het centrale plein staat een gigantisch standbeeld in Stalinistische stijl van een geketende arbeider. „Legum servi sumus ut liberi essere possimus”, luidt de inscriptie: wij zijn slaven van de wet opdat wij vrij kunnen zijn. „Je hebt toch niet weer zitten lezen, hoop ik?” zei Hermes. Het staat op het standbeeld achter je. „I’ll watch my back.”

Dat is nodig. Suffugium is een soort futuristisch fascistische sim. Bezoekers zijn verplicht hun handpalm te laten scannen voordat ze de stad in mogen. Overal zijn robots die je in de gaten houden. Er hangen verweerde affiches die waarschuwen dat de anarchisten onder ons zijn, dat ze er net zo uit zien als wij en dat ze onze gedachten kunnen lezen. Er hangen gescheurde foto’s van vermiste personen. Al jaren zo te zien.

Alles in Suffugium is op een bepaalde manier kapot, gesloten, buiten bedrijf of nooit afgebouwd. De bankjes op het plein zijn stukgetrapt. Op de deur van een openbaar toilet zit een verregend briefje met de tekst „defect”. De lichtreclame boven de bioscoop kondigt geen films aan, maar luidt „gesloten”. De „L” hangt scheef. Zelfs het verkeersbord dat waarschuwt voor werk in uitvoering ligt verbogen te roesten in een verlaten bouwput. De hekken die deze afsluiten, zijn lang geleden stukgeknipt. Er zijn een paar winkels in de stad, maar ze zijn slecht verlicht en ze bieden maar één product te koop aan. De meeste schappen zijn leeg. Afval ligt te stinken in de stegen.

Terwijl ik enigszins ongemakkelijk rondwandelde door de unheimische straten van Suffugium, vergat ik bijna dat dit allemaal zo is ontworpen. Een bankje in Second Life kan helemaal niet worden stukgetrapt. Hekken kunnen niet worden kapotgeknipt. En nergens ligt afval tenzij iemand afval heeft nagebouwd. Het verkeersbord is niet verbogen en verroest, iemand heeft een verbogen en verroest verkeersbord gecreëerd. Voor het bouwen van torenflats in Second Life heb je helemaal geen stijgers en betonmolens nodig. Iemand heeft in plaats van een gebouw een bouwput ontworpen. En terwijl ik dit bedacht, hoorde ik luid gevloek.

„Waar ben je, Hermes?”

Hij had niet opgepast waar hij liep. Ik moet ook toegeven dat het heel slecht was gemarkeerd. En in het donker was het nauwelijk te zien dat de putdeksel ontbrak. Hermes was twintig meter gevallen. Ik wilde hem redden, maar toen viel ik ook. We waren in het riool. Een eindeloos buizenstelsel vol ratten en stinkende drab. We konden niet terug naar boven. Maar ergens moest er een uitgang zijn. „Rechts denk ik.” Geen licht aan het einde van de tunnel. „Of toch links?” We waren verdwaald in het riool van Second Life.

„Zullen we maar terug naar mijn eiland gaan?”

„Oké, Hermes. Teleporteer me maar.”