Sport en vermaak hand in hand

Sport en amusement gaan weer hand in hand in de 25ste wielerzesdaagse van Rotterdam. Uitbundig licht en lawaai, maar geen wielrenner die zich eraan stoort. Ahoy gaat elke avond ‘los’, op en rond de baan. Zonder Peter Post. Wie was dat ook alweer?

Het loopt tegen middernacht als Lee Towers op het middenterrein het podium beklimt. Zoals altijd heft de onvermijdelijke Rotterdamse crooner het al zestig jaar oude lied van Rodgers en Hammerstein aan dat ook bij Rotterdam is gaan horen: You’ll never walk alone. Burgemeester Ivo Opstelten is opgestaan in zijn vip-box, balt zijn vuisten en brult zwaaiend het volkslied van de sport met bijna alle zesduizend toeschouwers mee. Ahoy gaat ‘los’, de zesdaagse van Rotterdam komt wéér tot leven.

Towers geeft de microfoon af, maar de muziek dendert door – net zo opzwepend. De wielrenners draaien al met grote snelheid hun opwarmrondjes op de baan. Een speaker kondigt met overslaande stem het laatste uur aan. De voorste renner laat onvoorzichtig zijn stuur los en doet de wave voor, achter hem volgen de andere renners zijn voorbeeld, op de tribunes staan toeschouwers op en doen hetzelfde. Op het middenterrein krioelen de plaatselijke coryfeeën en gasten van sponsors in hun mooiste kleren, drinkend, etend en luidkeels pratend om het oorverdovende spektakel te overstemmen. Gedompeld in een mengeling van uitbundig lawaai en licht. Zo is al honderd jaar waar ook ter wereld de sfeer bij de wielerzesdaagse, het fenomeen waarin sport en amusement het nauwst met elkaar zijn verenigd.

Zeg nooit dat sport bijzaak is in een zesdaagse. De rennerskoppels schieten – elkaar aflossend – als kanonskogels over de baan, sprintend tegen elkaar, dan weer jagend op elkaar, of weer in het zog van de derny. En dat minimaal zes uur per dag, zes avonden lang. Grote wegrenners hebben nooit kunnen aansluiten bij de specialisten van de baan die stuurvaardigheid aan een snelle pedaaltred paren. Niet dat het koersverloop in de heksenketel goed is te volgen, maar dat doet er weinig toe. Voordat je het weet wordt weer een winnaar gehuldigd en zal worden geapplaudisseerd op de maat van een triomfmars.

De Rotterdamse zesdaagse wordt sinds vorige week donderdag voor de 25ste keer verreden. Hoewel alle getuigen altijd lovend praten over zesdaagsen, of ze nu in Amsterdam, Maastricht, Gent, Antwerpen, Zürich, Berlijn, Dortmund, Bremen, Keulen – en vroeger – in New York en Londen werden gereden, succesvol zijn ze niet altijd. De geschiedenis van ‘Rotterdam’ kent diepe dalen en hiaten. Recent kwam in 2005 pas weer een einde aan een onderbreking van liefst 17 jaar. In 1988 besloot de toenmalige directie de permanente baan uit Ahoy te slopen, omdat de zesdaagse geld kostte en (pop)concerten wel voldoende inkomsten garandeerden. De baansport in Nederland had in die periode ook niet meer de allure van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig of eerder in de jaren dertig en vijftig. Nu excelleren baanrenners als Theo Bos, wereldkampioen sprint, maar geen deelnemer aan de zesdaagse, en behoren Danny Stam en Robert Slippens tot de beste zesdaagserenners, zoals vroeger Piet van Kempen, Gerrit Schulte, René Pijnen en Peter Post.

En de houten baan is tegenwoordig demontabel, binnen een dag is hij afgebroken. Dus als dinsdagnacht de zesdaagse afloopt, kan Ahoy deze week nog ruimte bieden aan andere evenementen.

Renners, sponsors, prominenten en gangmakers van vroeger halen dezer dagen hun hart op in de door meer lawaai en licht gemoderniseerde zesdaagse. De 67-jarige gangmaker Bruno Walrave stapt met zijn oude knoken op zijn bromfiets alsof hij nooit is weggeweest. „Ik geniet altijd, zodra ik er weer bij ben voel ik me weer jong”, zegt de doorgaans stuurse man achter wiens motorfiets alle wereldkampioenen hebben gereden met een glimlach. Naast hem waggelt de 63-jarige goedlachse Rotterdammer Joop Zijlaard met zijn weliswaar afgeslankte maar nog altijd bolle lijf naar zijn brommer, waarachter elke zesdaagserenner elke dag gegangmaakt zou willen worden. De schoonvader van voormalig olympisch en wereldkampioen Leontien van Moorsel heeft net een wijntje gedronken met oud-Feyenoorder Coen Moulijn en dichter Jules Deelder en maakt zich op voor de volgende race. Vorig jaar moest hij na een hartaanval verstek laten aan in Rotterdam. „We gaan weer plezier maken”, schatert hij aan de rand van de piste. Plezier is het toverwoord bij deze zesdaagse.

Peter Post komt niet meer bij ‘zijn’ zesdaagse. Het is niet te bevatten dat de man die jarenlang ’s werelds beste zesdaagserenner was – 65 overwinningen, na Patrick Sercu (88), Danny Clark (73) en René Pijnen (72) – driemaal Rotterdam won, er zestienmaal wedstrijddirecteur was, alsmede van andere zesdaagsen in Nederland, ontbreekt. Organisatoren en Rotterdamse sportambtenaren moeten over hun gebrek aan historisch besef en hun kortzichtigheid zijn gestruikeld door hem sinds de herstart niet uit te nodigen – zelfs niet bij de presentatie van het jubileumboek Op de Rotterdamse latten van Peter Ouwerkerk, waarin een prominent interview met Post. Een huldebetoon aan de ijdele, strenge regisseur en ploegleider van weleer had tijdens de zesdaagse allerminst misstaan. Het enige, heimelijke commentaar her en der is: „Maar Post had niet zoveel vrienden, hoor.”

Post was de regisseur. „Als ze niet willen rije, laat ik ze rije”, riep hij aan de rand van de baan, daar waar nu sponsoren en vip’s proberen de Belgische regisseur Patrick Sercu te beïnvloeden. Post trok wegrenners als Merckx, Hinault, Moser, Zoetemelk, Raas en Knetemann en volkse artiesten als Lee Towers, de Zangeres zonder naam en de Belgische Bobby Setter Band aan om publiek naar de zesdaagse te trekken. Post duldde weinig inspraak en kritiek – zou het dat zijn geweest?

Post was een man van hard labeur. Hij maakte nog mee dat zesdaagserenners 24 uur op de baan waren, racend, peddelend, tussen de jachten door slapend in kooien onder de baan. Zoals het eind jaren negentig van de negentiende eeuw gebruikelijk was. In New York (1899) waar de spektakelzucht woedde door renners 144 uur (zesmaal 24 uur) te laten racen. ‘De tocht van de zombies’, noemde The New York Times de race.

Waarom zes dagen en niet vijf, zeven, acht of meer? Dat heeft te maken met de oorsprong. Britten, de bedenkers van het wieleronderdeel, bedachten een race over zes dagen. Niet op zondag, zoals de Britten als het om sport gaat gewoon zijn. Niet op de heilig verklaarde rustdag. Start op maandag één minuut na twaalf uur, finish op zaterdag om één minuut voor twaalf.

Pas in 1936 sloot Rotterdam zich aan bij het spektakel dat al over de hele wereld werd georganiseerd, vier jaar na Amsterdam. Zwemster Rie Mastenbroek, op de Olympische Spelen van dat jaar succesvol met drie gouden medailles en één zilveren, gaf het startschot in de Nenijtohal. Jan Pijnenburg en Cor Wals wonnen de eerste editie. Na twee jaar was het voorbij. In 1968 werd de zesdaagse van Rotterdam nieuw leven ingeblazen in de Energiehal, na twee edities volgden achttien jaar Ahoy’, met Post, Pijnen, Sercu, Clark, Slippens en Stam als winnaars.

Vroeger was deelname aan de zesdaagse voor wegrenners een bonus, zoals oud-wielrenner en wedstrijddirecteur van de wegklassieker Amstel Goldrace Leo van Vliet vertelt. „Wat je op de weg niet aan geld kreeg, kon je bijverdienen op de baan. Het was tevens een goede overwintering, overdekt trainen. Nu zijn baanrenners specialisten, wegrenners komen er niet meer aan te pas.”

Als Van Vliet vertelt, schieten nieuwe sterren als de Zwitser Bruno Risi, de Belg Iljo Keisse en de Nederlander Danny Stam onnavolgbaar voorbij. Mooie meisjes staan klaar om de winnaars van straks te zoenen. De muziek dendert door. Het is een oogverblindend feest, sport is hier amusement voor iedereen.

    • Guus van Holland