Schaatsvijand nr. 1

„En lag Nederland dan helemaal onder de sneeuw?”

„Nou ja, helemaal. Ja, eigenlijk wel. Als je ’s ochtends de deur uit kwam, en het had ’s nachts flink gesneeuwd, dan was alles wit. Maagdelijk wit noemde je dat. Echt prachtig. En alles klonk opeens anders. Gedempt. Je had geen iPod-oortjes in, maar zo klonk het opeens wel.”

„En waren dan ook álle sloten, rivieren en meren bevroren?”

„Het moest echt keihard vriezen voordat de rivieren waren bevroren, want dat is stromend water. Maar kleine meren zaten al snel dicht en sloten helemaal. Op de sloten hier in de buurt kon je al na een paar nachten vorst schaatsen. Alleen onder de bruggen bleef het water langer open. Daar zaten dan de eenden, bij elkaar te koukleumen. En soms zat er een gat in het ijs. Weet je toevallig hoe dat heet?”

„Ik heb geen idee.”

„Zo’n gat in het ijs, weet je wel. Soms stond er een bord in, om te voorkomen dat de mensen erin donderden.”

„Ik weet het echt niet.”

„Dat heet een wak, lieverd, een wak. Gat had ook gekund, maar toevallig heeft men ooit gekozen voor wak.”

Een paar jaar geleden dacht ik dat we onze kinderen al snel moesten gaan uitleggen wat guldens, dubbeltjes en kwartjes zijn. Dat is reuze meegevallen. Tien eurocent heeft moeiteloos de naam dubbeltje geadopteerd en de doodenkele keer dat ik in het bijzijn van mijn kinderen nog iets terugreken naar guldens, krijg ik te horen dat ik niet zo moet zeuren.

Kwartjes komen bij ons vrijwel nooit ter sprake, maar de winter wel. Dat was vroeger een seizoen met ijs en sneeuw, handschoenen, droge lippen en stijve vingers, mutsenweer ook, een seizoen met een woordenschat die je kennelijk met de paplepel ingegoten moet krijgen, anders raak je er niet echt vertrouwd mee.

Mijn zoontje van tien heeft geen idee hoe een gat in het ijs heet. Sneeuw kent hij natuurlijk wel, vooral van die paar keer dat we op wintersport zijn geweest. Daar is hij redelijk goed thuisgeraakt in de ski- en snowboardterminologie, maar in wintersportgebieden liggen de wakken bij mijn weten niet voor op het oprapen.

Heeft onze jongste ooit op natuurijs geschaatst? Toen hij nog een peuter was misschien, maar ik kan het me niet herinneren. Wel op kunstijs, onlangs nog, maar kunstijsbanen zijn wakkenvrij.

In mijn jeugd behoorde het wak tot de grootste gevaren voor kinderen. Een wak was ongeveer net zo eng als een kinderlokker. Het was een donker gat waar je zomaar in kon verdwijnen. We vertelden elkaar wat je moest doen om er zelf uit te komen. Onder water naar een lichte plek toe zwemmen, die was dunner. De randen waren zwak, die konden afbreken. En je moest snél iets doen, want binnen een paar seconden ging je dood van de kou.

Zoals gezegd: de winter heeft z’n eigen taal. Hoe minder winter, hoe minder vanzelfsprekend die taal wordt gebruikt. Rayonhoofden die bij elkaar komen als het eindelijk een paar graden vriest, het heeft al jaren iets lachwekkends. Friese doorlopers, dat is iets uit een folkloristisch museum, net als koek-en-zopie. IJsvrij, ijzel, ijsbal, sleetje roetsjen, wintertenen, winterlippen, schotsiepiepen – naarmate de winters langer uitblijven, wordt de stoflaag op deze woorden dikker.

Er moeten in Nederland duizenden kinderen zijn die nog nooit van schaatsvijand nummer één, het wak, hebben gehoord, laat staan dat ze weten hoe zo’n kile kinderverslinder er in het wild uit ziet.

Het wordt echt tijd dat het weer eens flink gaat vriezen.

Reacties naar sanders@nrc.nl

    • Ewoud Sanders