Niemand is trots op de universiteit

In haar diesrede vandaag aan de UvA heeft universiteitshoogleraar Louise O. Fresco zich laten inspireren door de Lettres persanes van Montesquieu. Zij voert dr. Hakim Sarastro op van de vooruitstrevende Universiteit van Oeloemia die een rapport schreef over de Universiteit van Amsterdam. Dat rapport bestaat uit een serie bloemrijke brieven over zijn veldwerk.

Waarde vrienden! Dit Europa is als een oceaan waar wij naar parels duiken, en waar zullen meer parels zijn dan in deze stad met zijn lange traditie van kennis en openheid? Toch is mij op het hart gedrukt om discreet te werk te gaan, want naar men zegt zijn de Amsterdammers gevoelige lieden die vragen van een buitenlander als kritiek kunnen opvatten.

Zonder twijfel zijn onderwijs en de daarmee verbonden diploma’s datgene wat de universiteit definieert en onderscheidt van een willekeurig onderzoeksinstituut. Dat is ook wat Bologna tot de eerste universiteit maakt en niet de beroemde tempels der wijsheid van Al-Azhar. Onderwijs, verbonden met onderzoek, want leren kan niet zonder weten, en weten niet zonder leren.

Het doel van onderwijs aan een universiteit is in studenten een levenslange passie te laten ontbranden voor wetenschappelijke methoden en objectieve feiten, dus voor kritisch en kwantitatief denken, ook als dat tegen de intuïtie ingaat. Zo alleen kunnen studenten leren dat, hoe belangrijk ook, tradities, emoties en opinies iets anders zijn dan wetenschappelijke kennis.

De wetenschappelijke geest is als een roofvogel, dalend en stijgend op de thermiek, geconcentreerd zoekend, dan weer ontspannen, van een afstand en tegelijk van dichtbij, van de details naar het geheel. Wie begrijpt hoe ogenschijnlijk nutteloze gegevens soms tot de kern behoren, zal het gevaar van generalisaties leren vermijden.

Wij in Oeloemia weten dat de jonge student als een kiemplant is die voorzichtig en met de grootst mogelijke zorg omgeven moet worden. Alleen het helderste water en de zuiverste voedingsstoffen leiden tot inzicht. Net als de plant zich richt naar het zonlicht en zijn wortels uitstrekt naar het water, moet de student leren zich te richten naar de ware bronnen van kennis.

Maar hier, hier vindt het onderwijs plaats in groezelige onderaardse ruimtes met schelle buislampen, stapels vertrapte plastic bekertjes en bekraste tafels, door overwerkte docenten. Hoe moeten deze eenzame, vermoeide, grijze docenten de passie voor kennis stimuleren? Wanneer waren zij zelf voor het laatst gegrepen door het verlangen iets nieuws te begrijpen?

Men zegt hier dat de docenten makkelijk vervangen kunnen worden door elektronisch leren, maar hoe vormt men een intellectuele en morele elite anders dan via persoonlijk contact? En telkens weer hoor ik de klacht dat de huidige generatie studenten zo oppervlakkig is en beelden verkiest boven woorden. Dat zij liever geld verdienen dan studeren. Toch heb ik veelal opgewekte en leergierige jonge mensen gezien die soms zelfs extra vakken doen. Mocht er al sprake zijn van oppervlakkigheid, dan begint dat op de middelbare scholen waar de leerlingen geen idee krijgen van wat wetenschap of burgerzin is.

Vrienden, dan is er nog iets waar ik niet op voorbereid was: de grote aantallen vrouwelijke studenten. Zou hier sprake zijn van een zelfversterkend proces waardoor de aanwezigheid van zoveel vrouwen ambitieuze jonge mannen afstoot? Deze studentes, die vooral zeggen iets met mensen te willen doen, worden gelukkig bijna uitsluitend door mannen onderwezen. Men zegt dat dit komt omdat te weinig vrouwen ambities hebben om toegelaten te worden tot het eerbiedwaardige ambt van hoogleraar, en dat men wanhopig zoekt naar vrouwelijke kandidaten. Maar die blijken niet bereid te zijn tot de totale toewijding en de eenzaamheid van het ambt. Merkwaardig. Zelfs in Oeloemia weten wij dat de toekomst in de handen van vrouwen ligt.

Wetenschap gedijt door creativiteit, en creativiteit ontstaat waar ideeën met elkaar in botsing komen en getoetst worden. Daarvoor is dus behoefte aan een optimale verscheidenheid tussen de medewerkers, in leeftijd, cultuur, discipline en ervaring. Er zijn hier echter nog minder buitenlanders dan vrouwen onder de hoogleraren, en nog veel minder van wat zij allochtonen noemen. Veel jonge hoogleraren heb ik ook niet ontmoet, maar wellicht wordt men snel oud in dit klimaat. Toch bevinden zich onder de studenten, vooral bij de hogeschool, velen van deze allochtonen en vluchtelingen die met succes hun studie voltooien.

En nog iets wat volstrekt onbegrijpelijk is. In dit welvarende land bestaan geen afgelegen, arme streken zonder boeken, waarheen men verbannen kan worden. Van oost tot west, van noord tot zuid, overal leeft men even comfortabel, en toch is zelden iemand bereid om te verhuizen. Wat elders intellectuele incest zou zijn, is hier de norm: men wordt hoogleraar waar men is gepromoveerd, of waar men heeft gestudeerd. Misschien dat er daarom zo gehecht wordt aan de minuscule verschillen tussen de universiteiten en onderzoeksgroepen. Ze zijn hier erger dan de striktste religieuze geleerden bij ons: wie uit de ene school komt, wordt elders geweerd als afvallige. Ook al noemen zij zich internationaal, hier vinden zij zichzelf en hun modellen uniek.

Ook het beoordelingssysteem is echter veel minder objectief dan de voorstanders menen. Redacties hebben de neiging om een gesloten front te vormen en vooral artikelen te accepteren die uit verwante scholen komen. Onderzoekers zelf zullen hun onderzoek in stukjes knippen, opdat er meer artikelen gepubliceerd worden, alsof men uit een sinaasappel zoveel mogelijk druppels perst, in plaats van uit duizenden sinaasappelbloesems één druppel kostbare parfum te distilleren. Geloof me, ik heb oprecht getracht de evaluatierapporten te lezen, maar ik zou niet weten wat men daaruit zou kunnen concluderen, behalve dat men zeer tevreden is over zichzelf. Bijna zonder uitzondering krijgt iedere groep een cijfer van het hoogste niveau. Op basis daarvan zou men concluderen dat in deze universiteit alleen profeten wonen.

Ik meld jullie nog iets belangrijks, vrienden. Het werk wordt hier zo strak geregeld, dat er geen ruimte overblijft voor onverwachtse ideeën. Maar als we de ontwikkeling van kennis nastreven, dan moeten we de vrijheid hebben om daar te gaan waar onze onderzoekingen ons leiden. De vrije geest is niet een blaffende hond die vastgebonden zit aan een paal.

Er zijn wel nog steeds herkenbare faculteiten zoals de medische, de natuur- en de geesteswetenschappen. Maar ik heb ontdekt dat daarbinnen talloze studierichtingen zijn, waarvan ik de inhoud niet begrijp, die gaan over zakendoen of communicatie. Erger nog, zelfs in de ogenschijnlijk klassieke studies zijn er onderdelen die louter afleiding en vertier bieden. Vrienden, het kan toch niet zo zijn dat wetenschappelijk onderwijs geen hoger doel heeft dan jonge mensen te helpen het televisienieuws te volgen en een curriculum vitae te schrijven!

De faculteiten zijn verspreid over de stad op kilometers afstand van elkaar, als zonen van een familie die ruzie hebben over het erfgoed. Hoogleraren van verschillende faculteiten kunnen jarenlang aan de universiteit verbonden zijn zonder ooit met elkaar in debat te gaan. Zelfs de decanen komen nauwelijks bijeen; zij zijn als jaloerse broers die geen familieberaad wensen te houden. Men staat met de rug naar elkaar toe, uitkijkend over de rivier (bedoeld wordt waarschijnlijk het IJ – LF), alleen verlangend naar deelname aan de Bond van Topuniversiteiten aan de overzijde van de zeeën. Politici hier beweren dat kennis de basis is van vooruitgang, maar wantrouwen iedere oproep voor meer universitaire fondsen. Kan dit kleine land, dat in vele opzichten al groter is dan zijn inwonertal en oppervlakte doen vermoeden, dan op alle terreinen uitblinken? Zoals de wijzen zeggen, de berg die tot in wolken reiken wil, moet zijn flanken breed uitspreiden over de vlakte. Ik neig naar de conclusie dat een universiteit het beste als een kalifaat bestuurd wordt, waarbij wetenschap de plaats van religie inneemt: een sterke centrale autoriteit en beperkte raadpleging van wereldlijke machten, want over academische zaken mag nooit de gemiddelde opinie van leken heersen.

Nederlanders pronken met kennis als het allerbelangrijkste voor de toekomst van hun land, maar waar is toch de liefde voor wetenschap gebleven? Dit nuchtere volk lijkt betoverd door een djinn die hun voorspiegelt dat kennis zomaar opbloeit als onkruid na een lichte regenbui, wanneer men maar genoeg plannen maakt. De regering verwacht dat de universiteit zonder extra middelen meer mensen zal toelaten. Waarom zijn de werknemers hier zo somber, waarom zien zij niet dat meningsverschillen nu eenmaal horen bij grote organisaties en de mens juist creatief maken? Zij werken als slaven en duwen telkens weer hun bundels projectaanvragen de dijken naar het Maagdenhuis op. Iedere keer moet meer papier worden volgeschreven om dezelfde gelden te verkrijgen. In plaats van te denken, schrijven zij ‘stukken’; in plaats van rustig op een creatieve vonk te wachten, vergaderen zij.

Het ontwikkelen, beschermen en overdragen van kennis verschilt toch niet fundamenteel van het stimuleren van de kunsten, die hier zo bloeien? Sponsoring heet die merkwaardige transactie, niet alleen zonder rente maar ook zonder invloed: men koopt of huurt tien dansers of vijftig strijkers of drie schilderijen, zonder te mogen bepalen wat er gespeeld of vertoond wordt. Dat de rijken daarop ingaan wekt verbazing, maar het wordt zeer respectabel geacht. Verdient de kennis die ons helpt te begrijpen hoe de wereld werkt, welke plaats wij daarin innemen en wie wij zijn, niet net als de kunsten gekoesterd te worden? Toch laten de rijken en de bedrijven verstek gaan, tenzij zijzelf kunnen bepalen waar het onderzoek over gaat.

Ik heb in de stad niemand gesproken die echt trots is op de Universiteit van Amsterdam. Een stad zonder universiteit is als een man zonder gedachten! De stad heeft vrije denkers nodig, want creativiteit en authenticiteit vormen een stad. De toepassing van kennis in nieuwe bedrijven gaat spontaan in een omgeving die creatieve mensen aantrekt. Ik speur op straat naar tekenen van creatieve inwoners, naar die aandoenlijke mensensoort van lichte vakidioten die gepassioneerd zijn zonder karikaturaal te worden, maar wat ik zie zijn slechts managers in maatpakken.

Vrienden! Als er iets is wat mijn ontberingen in Amsterdam mij hebben geleerd, dan is het dat ons beeld van de toekomst helder moet zijn als een sterrenhemel in de woestijnnacht. De verwarring en onvrede hier bewijzen dat stelsels van verdelende rechtvaardigheid en inspraak niet leiden tot moedige beslissingen. De landspolitiek weigert haar schitterende beloftes in geld om te zetten, de besturen der universiteiten zijn verlamd door interne strijd en gebrek aan fondsen, en de hoogleraren – ach, die gaan hun gang.

Zo eindigt de grote maar treurige traditie die van Bologna leidde naar de mooie Europese beloftes van Lissabon. Hoe zeer verlangt mijn hart naar de jasmijnstruiken, naar de eerbiedwaardige stilte van onze binnenplaatsen waar alleen gelezen wordt! Veel te lang heb ik in deze grijze mist verkeerd, tussen kale bomen en de geur van gebakken aardappelen, in dit land waar alles, zelfs de maan, bleker lijkt dan elders. Is dit dan het einde van de universiteit: zal zij imploderen onder toenemende bureaucratische druk van binnen en buiten, en de middelpuntvliedende kracht van marktgericht onderzoek die de klassieke faculteiten verbreekt? Zal de universiteit ten onder gaan door gebrek aan leiderschap of door de te grote aantallen studenten? Hoe het in Amsterdam ook zij, mijn dierbaren, wij in Oeloemia moeten voortgaan! Laat de universiteit overleven, niet als bron van strategische nota’s en patenten, maar als broedplaats van ideeën en kritische dialogen!

Want wie één universiteit redt, die redt ze allemaal.

Louise O. Fresco is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

De volledige tekst van de diesrede staat op www.uva.nl/lustrum

    • Louise O. Fresco